Warmtepomp op het eendraadschema: kring en gegevens correct tekenen
Documenteer buiten- en binnenunit, bijverwarming, beveiligingen, leiding en fabrikantgegevens van een warmtepomp op het eendraadschema volgens AREI Boek 1 V06.
Een warmtepomp is elektrisch vaak meer dan één toestel. Naast een buitenunit kunnen een binnenmodule, elektrische bijverwarming, circulatiepomp, regeling en sanitair-warmwaterboiler aanwezig zijn. Sommige onderdelen delen één voeding, andere hebben elk een eigen kring. Het eendraadschema moet die werkelijk uitgevoerde elektrische structuur tonen en mag niet worden afgeleid uit het vereenvoudigde hydraulische verkoopschema.
AREI Boek 1 V06 legt geen universeel warmtepompsymbool, automaat of differentieeltype voor ieder merk vast. De algemene regels voor kringen, bescherming, leidingen en documentatie gelden samen met de elektrische installatievoorschriften van het exacte toestel. Een betrouwbaar schema maakt die combinatie controleerbaar.
Verzamel eerst de elektrische brongegevens
Controleer vóór het tekenen het verdeelbord, de typeplaten en alle relevante installatiehandleidingen. Noteer per elektrisch gevoed onderdeel:
- toestelreferentie en functie;
- voedingsspanning, één- of driefasige aansluiting;
- nominale stroom en door de fabrikant gevraagde maximale beveiliging;
- aanwezigheid van inverter- of frequentieregeling;
- voorgeschreven aardlekbeveiliging en informatie over mogelijke DC-componenten;
- kabeltype, aantal geleiders, doorsnede en werkelijk traject;
- lokale werkschakelaar of scheidingsinrichting, indien geplaatst;
- afzonderlijke voeding voor elektrische weerstand, regeling, pomp of boiler.
Een thermisch vermogen van bijvoorbeeld 8 kW is niet hetzelfde als het elektrisch opgenomen vermogen of het aansluitvermogen. Gebruik op het elektrische schema alleen de passende elektrische gegevens.
Eén kring of meerdere takken?
Een monoblock kan één voedingspunt hebben. Bij een split-installatie kunnen buiten- en binnenunit afzonderlijk worden gevoed. Een ingebouwde weerstand kan via dezelfde aansluiting werken, maar kan ook een afzonderlijke, zwaarder belaste kring vereisen. De regeling kan vanuit de binnenunit gevoed worden of een eigen beveiliging hebben.
Teken daarom niet blind:
Verdeelbord → automaat → warmtepomp
Een mogelijke werkelijke structuur is:
Hoofdverdeelbord
├─ kring WP1 → beveiliging → leiding → buitenunit/inverter
├─ kring WP2 → beveiliging → leiding → binnenunit/regeling
└─ kring WP3 → beveiliging → leiding → elektrische bijverwarming
WP1, WP2 en WP3 zijn slechts voorbeelden. Sluit aan bij de kringletters van het project en gebruik exact dezelfde referenties op het situatieschema.
Gegevens bij elke aftakking
Van verdeelbord tot verbruiker moet de keten leesbaar zijn. Vermeld minstens:
- kringreferentie;
- type, aantal polen en nominale stroom van de overstroombeveiliging;
- aanwezige differentieelbeveiliging met aanspreekstroom en type;
- kabel- of draadtype, aantal geleiders en doorsnede;
- faseverdeling bij een meerfasige aansluiting;
- ondubbelzinnige naam, bijvoorbeeld “warmtepomp buitenunit”;
- relevant elektrisch vermogen of nominale stroom;
- vaste scheider, contactor of vermogenssturing als die werkelijk deel uitmaakt van de installatie.
De kabeldoorsnede bij een automaat volgt niet alleen uit het toestelvermogen. Lengte, plaatsingswijze, bundeling, omgevingstemperatuur, spanningsval, kortsluitvoorwaarden en fabrikantvoorschriften blijven bepalend.
Differentieel: geen universele keuze
Een compressor met vermogenselektronica kan andere foutstroomvormen veroorzaken dan een zuiver resistieve belasting. Dat maakt type B niet automatisch verplicht voor elke warmtepomp en maakt type A evenmin automatisch geschikt. Controleer samenhangend:
- de handleiding van het exacte model en de geïnstalleerde optiekaarten;
- eventuele ingebouwde detectie van gladde gelijkfoutstromen;
- het aardingsstelsel en de ontworpen uitschakelvoorwaarden;
- selectiviteit en verdeling tegenover bovenliggende differentiëlen;
- normale lekstromen van andere toestellen op dezelfde beveiliging.
In differentieel type A versus type B worden foutstroomvorm, verhoogde immuniteit en selectiviteit afzonderlijk behandeld. Noteer op het schema wat werkelijk geplaatst is, niet wat een algemene vuistregel suggereert.
Symbool en legende
Tabel 2.23 van AREI Boek 1 V06 is niet uitputtend. Als geen standaardteken de geïnstalleerde warmtepompconfiguratie duidelijk beschrijft, kan een ondubbelzinnig teken of blok worden gebruikt dat in de legende wordt verklaard. U kunt bijvoorbeeld onderscheiden:
WP-B: warmtepomp buitenunit;WP-I: warmtepomp binnenunit;BV: elektrische bijverwarming.
Gebruik hetzelfde symbool en dezelfde betekenis doorheen het volledige dossier. Vermijd dat WP elders “waterpomp” betekent. De AREI-symbolengids legt uit wanneer een eigen legende nodig is.
Samenhang met het situatieschema
Het eendraadschema toont hoe de warmtepomp gevoed en beschermd wordt. Het situatieschema toont waar vaste elektrische onderdelen zich bevinden. Plaats, afhankelijk van de installatie:
- buiten- en binnenunit;
- werkschakelaar of lokale scheider;
- regelkast of onderverdeelkast;
- vaste elektrische weerstand;
- relevante vaste kabeltrajecten wanneer die voor onderhoud of veiligheid nodig zijn.
Elk element krijgt dezelfde kringreferentie als op het eendraadschema. Een hydraulisch principe- of leidingplan kan nuttig zijn, maar vervangt de elektrische plannen niet. Zie ook eendraadschema versus situatieschema.
Fouten die een schema onbetrouwbaar maken
Alleen “warmtepomp 8 kW” vermelden
Dat is vaak thermisch vermogen. Zonder voedingswijze, beveiliging en leiding kan niemand de elektrische tak reconstrueren.
De bijverwarming vergeten
Een elektrische weerstand kan de aansluitpiek sterk verhogen en een afzonderlijke voeding hebben. Toon ze als ze tot de vaste installatie behoort.
Een generieke beveiliging kopiëren
Een voorbeeldschema van een ander model bewijst niet dat hetzelfde differentieeltype, dezelfde karakteristiek of dezelfde doorsnede geschikt is.
Ontwerp en as-built verwarren
Tijdens de montage kunnen fase, leidingstraject of toestelvariant wijzigen. Werk schema, bordetiketten en dossier pas bij na controle ter plaatse.
Controle vóór oplevering
Loop ten minste deze punten na:
- stemmen typeplaat en toestelnaam overeen met het schema;
- zijn buitenunit, binnenunit en elektrische hulpcomponenten volledig;
- komen pooltal, nominale stroom en differentieelgegevens overeen met de geplaatste apparaten;
- zijn leidinggegevens en faseverdeling traceerbaar;
- zijn kringreferenties gelijk op bord, eendraadschema en situatieschema;
- zitten fabrikantdocumentatie en latere wijzigingen in het installatiedossier?
Dit is een documentatiecontrole. Ze vervangt geen elektrische berekening, vakbekwame uitvoering of controle door een erkend organisme.
Wanneer moet het schema opnieuw worden aangepast?
Niet alleen de vervanging van de volledige warmtepomp is relevant. Herbekijk de documenten wanneer een weerstand wordt bijgeplaatst, een hoger elektrisch vermogen wordt geactiveerd, een éénfasig toestel door een driefasige variant wordt vervangen of een externe regeling vast wordt aangesloten. Een wijziging aan differentieel, automaat, kabel of faserichting hoort eveneens in de as-built versie.
Vergelijk bij zo’n ingreep systematisch:
- oude en nieuwe elektrische aansluitgegevens;
- bestaande kabel en werkelijk beschikbare geleiders;
- geplaatste beveiliging tegenover de nieuwe fabrikantvoorwaarden;
- faseverdeling en belasting van het verdeelbord;
- gewijzigde locaties op het situatieschema;
- documentversie en bijbehorende handleidingen.
Een buiten dienst gestelde kring die fysiek blijft liggen, moet als zodanig begrijpelijk zijn. Een schema dat een afgekoppeld toestel nog als actief toont, is even misleidend als een nieuwe bijverwarming die nergens voorkomt. Vermeld niet alleen de commerciële familienaam: modelvariant, elektrische optie en voedingswijze bepalen of de oude tekening nog bruikbaar is.
Praktijkvoorbeeld: buitenunit, binnenmodule en bijverwarming
Stel dat een installatie een driefasige buitenunit, een afzonderlijk gevoede binnenmodule en elektrische bijverwarming heeft. Teken niet meteen één algemeen blok. Controleer bij het geleverde model en de echte bekabeling of drie eindstroombanen bestaan dan wel of onderdelen intern vanuit de buitenunit gevoed worden. Alleen werkelijk gescheiden kringen krijgen een eigen beveiligingsketen, leidinggegevens en referentie.
Noteer per echte tak de maximale elektrische opname uit de bindende fabrikantdocumentatie, niet het thermische verwarmingsvermogen uit een verkoopbrochure. Geef fasen, nulgeleider en beschermingsgeleider volgens de geplaatste kabel aan. Naast een driefasige buitenunit kan een eenfasige regelaar of binnenmodule staan; de gezamenlijke functie “warmtepomp” maakt dat onderscheid niet onbelangrijk. Controleer vooral de bijverwarming, omdat aansluitvermogen en trappen veel hoger kunnen zijn dan het compressorverbruik.
Plaats buitenunit, binnenmodule, vaste scheidingsmogelijkheid en afzonderlijk gevoede bijverwarming op hun werkelijke plaats in het situatieplan. Teken besturings-, bus- of sensorleidingen niet als vermogenskring. Zijn ze belangrijk voor onderhoud, leg ze dan uit in legende of technische documentatie zonder ze met de netvoeding te vermengen.
Inbedrijfstelling en bedrijfsmodi meenemen
Vergelijk de getekende aftakking na ingebruikname met typeplaten, klemmen, installateursinstellingen en testgegevens. Vermogensbegrenzing, blokkeercontact of energiemanagement kan de werking beïnvloeden, maar vervangt niet automatisch de deskundige dimensionering en beoordeling van beveiligingen. Documenteer alleen instellingen die werkelijk zijn toegepast, tegen onbedoelde wijziging beschermd zijn en voor de ontwerpgrondslag meetellen.
Controleer bedrijfsgevallen die tijdens normaal verwarmen gemakkelijk verborgen blijven:
- ontdooien met gelijktijdige bijverwarming;
- nood- of hygiënebedrijf via de elektrische weerstand;
- start- en omvormergedrag volgens de fabrikant;
- aparte voeding voor lekbak- of traceverwarming;
- veilig scheiden voor onderhoud;
- herstart na netonderbreking of lastafschakeling.
Deze lijst schrijft geen universele automaat, differentieel of kabeldoorsnede voor. Ze toont welke gegevens de ontwerper met de exacte handleiding en plaatsingsvoorwaarden moet oplossen. Metingen en uitschakelvoorwaarden blijven controles op locatie.
Leg ook vast welke component na uitschakeling van de hoofdkring nog spanning kan voeren. Een regelmodule, communicatievoeding of afzonderlijk hulpapparaat kan een andere voeding hebben. Een onderhoudsschema mag die hulpvoeding niet verbergen. Geef scheidingspunten alleen als gezamenlijk werkend aan wanneer bekabeling en fabrikantconcept dat bevestigen. Zo voorkomt het dossier dat een zogenaamd volledig uitgeschakeld systeem ongemerkt uit een tweede kring gevoed blijft.
Neem dat onderscheid ook over op de labels in het verdeelbord. Eén verzamelnaam voor meerdere aftakkingen maakt onderhoud en plancontrole moeilijk. Gebruik korte functienamen en dezelfde referenties op schema, situatieplan en toestel. Controleer na het etiketteren door gericht vrijschakelen of elke aanduiding werkelijk het verwachte onderdeel betreft. Dat resultaat hoort bij de as-built afstemming en mag niet uit het ontwerp worden verondersteld.
Koppeling met PV, batterij en lastbeheer
Een warmtepomp kan op zelfverbruikssturing reageren, maar staat daardoor niet elektrisch “achter de PV-omvormer” wanneer de werkelijke AC-topologie anders is. Teken energiepaden volgens de echte aansluiting en beschrijf communicatie- of smart-gridcontacten apart. Stel bij noodvoeding vast of de warmtepomp echt door het noodstroombord wordt gevoed en of start- en vermogensgrenzen dat toelaten. Een instelling in een app bewijst de bekabeling niet.
De officiële publicatie van AREI Boek 1 vormt het algemene kader voor schema en beveiliging. Modelgebonden ingangswaarden, externe beveiligingseisen en aansluitvarianten komen uit de actuele handleiding van exact het geplaatste toestel.
Documenteren met PlanElec
Met PlanElec koppelt u warmtepomponderdelen aan de werkelijk uitgevoerde kringen, legt u beveiligings- en leidinggegevens vast en exporteert u eendraadschema en situatieschema als PDF. Voor projectspecifieke tekens blijft een heldere legende nodig. De oriënterende zelfcheck kan ondersteunde invoer signaleren, maar garandeert geen AREI-conformiteit, fabrikantgoedkeuring of officieel keuringsverslag.
Bronnen en geldigheidsstand
De inhoud steunt op de officiële publicatie van AREI/RGIE Boek 1, vooral tabel 2.23 en deel 3 over elektrische plannen, aangevuld met de elektrische installatiehandleiding van het concrete warmtepompmodel. Gecontroleerde stand: Boek 1 V06, 29 augustus 2026.