Eendraadschema vs. situatieschema: verschil en samenhang
Het eendraadschema toont de elektrische structuur, het situatieplan de fysieke plaats. Zo verbinden kringreferenties beide verplichte AREI-documenten.
Het verschil in één zin
Het eendraadschema laat zien hoe voeding, beveiligingen, leidingen en verbruikers elektrisch verbonden zijn. Het situatieplan, vaak situatieschema genoemd, toont waar de onderdelen zich in het gebouw bevinden. Dezelfde kringletter en hetzelfde volgnummer leggen de brug tussen beide.
Voor een nieuwe huishoudelijke installatie en een belangrijke wijziging of uitbreiding zijn beide documenten voorzien. Ze zijn niet uitwisselbaar. Een grondplan verklaart geen RCD, automaat of kabeldoorsnede; een elektrische boomstructuur vertelt niet aan welke wand een contactdoos zit.
Gemeenschappelijke identificatie
Onderafdeling 3.1.2.1 van Boek 1 V06 verlangt dat schema's, plannen en stukken eenduidig nummer, versie en versiedatum dragen. Voor huishoudelijke plannen komen daar naam en hoedanigheid van de verantwoordelijke voor de uitvoering, eventueel btw-nummer en het adres van de installatie bij. Spanning en aard van de stroom staan op het eendraadschema.
Wanneer het erkende organisme bij de controle conformiteit vaststelt, worden de plannen gedateerd en ondertekend of geviseerd en vormen ze samen met het verslag een deel van het installatiedossier. Een PDF die vóór de controle werd geëxporteerd is dus niet automatisch een goedgekeurd plan of positief keuringsverslag.
Inhoud van het eendraadschema
Volgens 3.1.2.2 bevat het huishoudelijke eendraadschema minstens:
- type, doorsnede en aantal geleiders van de leidingen;
- plaatsingswijze van de leidingen;
- type en kenmerken van differentieelstroominrichtingen;
- type en kenmerken van overstroombeveiligingen;
- schakelaars, verbindings- en aftakdozen;
- contactdozen en lichtpunten;
- vaste machines en toestellen;
- bronnen zoals transformator, zonnecel, omvormer of batterij.
Het document beantwoordt elektrische vragen: welke differentieel ligt voor kring D, welke automaat beschermt de kabel, welke leiding loopt naar de aftakdoos en welke verbruikers volgen? Het geeft geen schaalvaste positie in de woning.
Elke elementaire stroombaan krijgt een hoofdletter. Lichtpunten, contactdozen en sturingseenheden worden vanaf de voorliggende overstroombeveiliging in volgorde genummerd. Die volgorde beschrijft het circuit en is niet noodzakelijk de looproute door de kamers.
Inhoud van het situatieplan
Onderafdeling 3.1.2.3 vraagt de plaats van de onderdelen die op het eendraadschema voorkomen, waaronder:
- verdeel- en schakelborden;
- verbindings- en aftakdozen;
- contactdozen, lichtpunten en schakelaars;
- vaste machines en toestellen;
- bronnen zoals PV, omvormer, batterij of transformator.
Een leesbaar grondplan met verdiepingen en ruimtes vormt de basis. Een schaal kan helpen, maar de positie moet vooral ondubbelzinnig zijn. Een stopcontact ergens in het midden van een kamer tekenen is onvoldoende wanneer het in werkelijkheid bij één wand of werkblad hoort. Verborgen aftakdozen verdienen bijzondere aandacht omdat onderhoud ze anders niet kan lokaliseren.
Het situatieplan is niet automatisch een volledig kabeltracéplan. De regel vraagt de positie van de opgesomde elementen. Onbekende leidingroutes mogen niet als feit worden getekend; voor ondergrondse leidingen of bijzondere installaties kunnen extra plannen nodig zijn.
Dezelfde code maakt beide documenten bruikbaar
Stel dat kring B drie contactdozen en één lichtpunt bevat. Op het eendraadschema heten die punten B1 tot en met B4. Het situatieplan plaatst elk nummer op de juiste fysieke plek. Een schakelaar voor lichtpunt B4 wordt zo aangeduid dat het verband met dat lichtpunt zichtbaar is.
Een keurder of elektricien kan daardoor vanaf de beveiliging naar het aansluitpunt en vanaf de kamer terug naar het bord volgen. Ontbreekt B3 op het grondplan, dan is zijn plaats onbekend. Verschijnt er een extra B5 in de kamer zonder overeenkomstig element op het eendraadschema, dan tonen de documenten niet dezelfde installatie.
Werk vanuit één opname
Maak niet eerst een elektrisch schema en weken later een grondplan uit het geheugen. Een robuuste werkwijze is:
- verdiepingen, ruimtes, borden en bronnen vastleggen;
- beveiligingsketen en eindstroombanen opnemen;
- elke contactdoos, verbruiker en doos aan de juiste kring koppelen;
- referenties één keer toekennen en in beide weergaven hergebruiken;
- kabel- en toestelgegevens aan het elektrische pad toevoegen;
- de fysieke posities ter plaatse controleren;
- beide documenten met hetzelfde versienummer en dezelfde peildatum exporteren.
Bordlabels zijn aanwijzingen, geen bewijs. In een bestaande installatie kunnen kringen veilig en deskundig moeten worden geïdentificeerd. Onzichtbare verbindingen of kabelroutes worden niet door een gok betrouwbaar.
Wijzigingen en versies
Voor een niet-belangrijke wijziging kan onder de AREI-voorwaarden een korte, gedateerde en ondertekende beschrijving volstaan in plaats van een volledig nieuw eendraadschema. Het situatieplan wordt bij elke wijziging of uitbreiding bijgewerkt zodat het voortdurend de bestaande toestand toont. Een belangrijke wijziging of uitbreiding vereist de overeenkomstige bijgewerkte plannen.
Installatiedelen waarvan de uitvoering ter plaatse vóór 1 oktober 1981 begon en die op het eendraadschema staan, krijgen de vermelding “oud gedeelte”. Dat label is geen algemene goedkeuring; de concrete afwijkingen voor het bestaande deel moeten nog worden beoordeeld.
Versieer de twee documenten als één set. Een situatieplan versie 4 naast een eendraadschema versie 2 maakt onduidelijk welke toestand werd gecontroleerd. Bewaar eerdere geviseerde versies in het dossier zodat de historie traceerbaar blijft.
Veelvoorkomende inconsistenties
| Verschil | Gevolg |
|---|---|
Schema bevat C1–C6, plan slechts C1–C5 | één element is niet lokaliseerbaar of niet elektrisch beschreven |
| Ander kringteken op dezelfde contactdoos | plaats en beveiliging kunnen niet worden gekoppeld |
| Omvormer alleen op het situatieplan | bron en beveiligingsketen ontbreken elektrisch |
| Aftakdoos alleen op het eendraadschema | de fysieke plaats is niet terug te vinden |
| Verschillend adres of versienummer | documenten kunnen verschillende installaties of toestanden voorstellen |
Gebruik tijdens de controle
Het erkende organisme gaat bij de gelijkvormigheidscontrole onder meer na of de uitvoering overeenstemt met eendraadschema en situatieplan. Het schema maakt beveiligingen en leidingen traceerbaar; het situatieplan helpt de aangeduide punten fysiek terug te vinden. Metingen en visuele controle blijven daarnaast noodzakelijk.
Een onderling consistent paar kan nog een technisch ontwerpprobleem bevatten. Omgekeerd is een veilig uitgevoerd onderdeel niet goed gedocumenteerd wanneer de plannen elkaar tegenspreken. Houd daarom drie zaken apart: documentvolledigheid, professionele ontwerpcontrole en officiële controle van de uitvoering. Geen ervan volgt automatisch uit een nette pdf.
Na een positief resultaat ontvangt de eigenaar de geviseerde plannen met het verslag voor het dossier. Het controleorganisme bewaart een kopie gedurende de voorgeschreven periode. De eigenaar blijft verantwoordelijk voor zijn eigen actuele dossier en beschikbaarheid bij latere werken.
Gebruik de kopie van het organisme als vangnet, niet als versiebeheer. Een latere wijziging die alleen in een los bestand of op papier staat, maakt de set opnieuw inconsistent. Leg daarom ook kleine aanpassingen meteen bij de juiste planversie vast.
Een praktische afstemming vóór vrijgave
Vergelijk niet alleen twee pagina's naast elkaar. Werk kring per kring. Begin met een lijst van kringletters, volg daarna elke kring van beveiliging tot laatste verbruiker en stel in beide documenten dezelfde vragen: welke punten bestaan, welke referentie dragen ze, waar bevinden ze zich en welke vaste functie hebben ze? Noteer een verschil als open taak in plaats van het met een algemene lokaalnaam te verbergen.
Voor kring H kan de lijst plafondlicht H1, wandlicht H2 en hun schakelaars bevatten. Het eendraadschema maakt duidelijk hoe die punten elektrisch achter beveiliging en leiding liggen. Het situatieplan plaatst H1 in de hal en H2 buiten. Ontbreekt H2 op één blad, dan is het andere niet vanzelf juist. Vergelijk opname en uitgevoerde installatie en corrigeer daarna beide documenten.
Voer ook controles over alle kringen heen uit:
- Elk bord en elke vaste energiebron op het eendraadschema heeft een vindbare plaats.
- Relevante aansluit- en aftakdozen houden dezelfde identificatie.
- Een vast toestel staat niet alleen als lokaaltekst op de plattegrond.
- Een vervolgverwijzing tussen bladen eindigt bij de bedoelde kring, niet bij een groep met een gelijkaardige naam.
- Hoofding, adres, bladnummer, datum en revisie vormen zichtbaar één documentenset.
Voorbeeld: een kleine uitbreiding verwerken
Wordt in een werkkamer een extra contactdoos geplaatst, bepaal dan eerst aan welke kring ze werkelijk is aangesloten. Is dit het volgende punt in kring D, dan kan de code D6 worden: voeg die toe op de elektrische positie in het eendraadschema en op de ruimtelijke positie in het situatieplan. Leidingsgegevens en beveiliging worden niet van de dichtstbijzijnde getekende contactdoos afgeleid, maar aan de echte aansluiting getoetst. Verhoog datum en revisie van beide bladen samen.
Bij een niet-belangrijke wijziging kan het AREI een beknopte beschrijving in plaats van een nieuw eendraadschema toelaten, terwijl het situatieplan wijzigingen en de bestaande toestand van elementen blijft tonen. Of werk belangrijk of niet-belangrijk is, vraagt een deskundige beoordeling. Gebruik de bepaling niet om jarenlang kleine ingrepen buiten de plannen te houden. Zodra toewijzing of actuele toestand onduidelijk wordt, moeten de documenten worden geconsolideerd.
De officiële FOD-pagina over controle van huishoudelijke installaties vat inhoud en samenhang van beide documenten samen. Het actuele officiële Boek 1 blijft beslissend; gepubliceerde voorbeelden zijn richtinggevend en mogen niet zonder opname worden gekopieerd.
Bewaar na elke gezamenlijke revisie één vaste exportset. Geef losse conceptbladen een duidelijk ontwerpkenmerk en haal ze uit de overdrachtsmap zodra de eindversie klaar is. Zo kan een gebruiker niet per ongeluk het actuele eendraadschema combineren met een ouder situatieplan.
PlanElec als gemeenschappelijke gegevensbasis
PlanElec brengt grondrissituatie en elektrische topologie in één project samen. Daaruit kunnen eendraadschema en situatieplan als pdf worden geëxporteerd. De oriënterende zelfcheck behandelt alleen ondersteunde regels die met de ingevoerde gegevens te beoordelen zijn. Centrale gegevens beperken dubbele invoer, maar garanderen niet dat de opname juist was.
PlanElec ziet geen verborgen kabels, voert geen metingen uit en viseert geen plannen. Werkelijke kringtoewijzing, toesteleigenschappen en leidinggegevens moeten deskundig worden bevestigd. Alleen een erkend organisme voert de officiële controle uit.
Verder lezen
- AREI-symbolen voor beide plannen
- Eendraadschema voor nieuwbouw: checklist
- Situatieschema stap voor stap tekenen
Open PlanElec voor beide plannen en pdf-export →
Regelbasis: AREI Boek 1 V06, afdeling 3.1.2 en afdeling 9.1.2. De officiële tekst, de werkelijke toestand en de controle door het erkende organisme blijven bepalend.