Handleiding

Plaatsingswijzen volgens het AREI: welke vermelding hoort in het eendraadschema?

De zeventien plaatsingswijzen van onderafdeling 5.2.2.1, hun bijzondere regels in afdeling 5.2.9, de invloed op de toelaatbare stroom en waar de vermelding verplicht thuishoort — met het AREI-artikel bij elke uitspraak.

Gepubliceerd op 31 augustus 2026 12 min

Welke plaatsingswijzen kent het AREI — en welke hoort in het eendraadschema?

Het AREI somt de toegelaten plaatsingswijzen voor laagspanningsleidingen limitatief op: zeventien letters van a tot q in onderafdeling 5.2.2.1., van luchtlijnen over ondergrondse plaatsing, opbouw, inbouw, plinten en goten tot verwarmingsleidingen in zolderingen en vloeren. Voor de meeste van die wijzen bevat afdeling 5.2.9. bovendien eigen, bindende regels. En de gekozen wijze is geen interne aangelegenheid van de installateur: het eendraadschema van een huishoudelijke installatie moet naast type, doorsnede en aantal geleiders uitdrukkelijk de plaatsingswijze van de elektrische leidingen vermelden (onderafdeling 3.1.2.2. punt a.).

De reden staat elders in het reglement. De toelaatbare stroom IZ van een leiding is onder meer functie van „de plaatsing en de omgeving van de elektrische leiding” (onderafdeling 4.4.1.4.). Zonder de plaatsingswijze kun je dus niet beoordelen of een doorsnede bij de stroombaan past — daarom staat ze in het schema.

Letter (5.2.2.1.)PlaatsingswijzeTypische toepassing in de woningbouwBijzondere regels
aluchtlijnenvoeding naar een bijgebouw5.2.9.1. (verwijst naar boek 3, hoofdstuk 7.1.)
b.1rechtstreeks ingegraventuinstopcontact, carport5.2.9.2. punt a.: minstens 0,60 m diep, enkel kabels
b.2ingegraven met mechanische beschermingkabel onder afdekband5.2.9.2. punt a.
b.3ingegraven in een hulsdoorgang onder oprit of terras5.2.9.2. punt a.
ccontactlijn voor rol- of glijcontactenniet relevant in de woningbouw5.2.1.4. punt a.
din opbouwzichtbare XVB in kelder, garage, techniek5.2.9.5.: enkel kabels; afstand tot de wand ≤ 0,3 × buitendiameter
ein verzonken buizenstandaard bij nieuwbouw: VOB in preflex5.2.9.3.
fin sierlijsten, plinten en lijstenrenovatie, zichtbare kabelgoot5.2.9.4.: enkel geïsoleerde geleiders of eenaderige kabels
gin de vrije lucht met klemmen of op kabelrekken, kabelladders, kraagstukken, hakentechnische ruimte, stookplaats5.2.9.5.: afstand tot alle wanden ≥ 0,3 × buitendiameter
hin kabelbanen of gotenverdeeltracé in de technische ruimte5.2.9.6.: in open goten enkel kabels
iin kokerstracé boven de vloer5.2.9.7.
jin open, gesloten of met zand gevulde kabelkanalenvloerkanaal, industriële toepassing5.2.9.8.
kin holle constructieruimten, holten en geprefabriceerde uitgeholde blokkenholle blokken, verlaagd plafond5.2.9.9. en 4.3.3.5. punt b.
lachter wandpanelengipskartonwand, houtskeletbouw5.2.9.9. en 4.3.3.5. punt b.
mrechtstreeks verzonken, zonder buizenXVB rechtstreeks in de sleuf5.2.9.10.: gabarit, beton ≥ 3 cm, bepleistering ≥ 0,4 cm
nin geprefabriceerde leidingenzelden in de woningbouw5.2.9.11.
oop isolatorenbestaande oude installaties5.2.9.12.
ponder waterzwembadtechniek5.2.2.1. punt p.
qin zolderingen, vloeren en muren voor verwarmingsleidingen en -panelenvloerverwarming, verwarmingsmatten5.2.9.13.

Andere plaatsingswijzen zijn niet verboden, maar vallen onder de restbepaling: ze beantwoorden aan „de desbetreffende regels van goed vakmanschap” (onderafdeling 5.2.2.4.). Wie buiten de lijst werkt, verlaat dus het gebied waarvoor het AREI zelf een regel formuleert.

Wat is het verschil tussen punt e en punt m?

Dit is het vaakst verwarde paar, want in de dagelijkse taal heet allebei „inbouw”. Het verschil is de buis. Punt e heet in de Nederlandse tekst letterlijk „in verzonken buizen” — de Franse tekst zegt „sous conduits encastrés”. Punt m heet daarentegen uitdrukkelijk „rechtstreeks verzonken, zonder buizen”.

Dat is geen woordenspel maar het verschil tussen twee regelsets. Voor e geldt onderafdeling 5.2.9.3. met de buisregels: buigstralen, geleiders die altijd inschuifbaar en verwijderbaar blijven, geen verbindingen in de buis. Voor m geldt onderafdeling 5.2.9.10. met het gabarit en de minimale bedekking. Welk materiaal je in welk geval kiest en wat dat kost, staat vergeleken in preflex versus vrije bedrading; dit artikel beschrijft de systematiek waarin beide varianten staan.

Waarom bepaalt de plaatsingswijze de toelaatbare stroom?

Onderafdeling 4.4.1.4. noemt vijf grootheden waarvan IZ afhangt. De plaatsingswijze is er één van, en het is de enige die je niet aan de kabel zelf kunt aflezen.

Grootheid volgens 4.4.1.4.Wat ze in het plan betekent
doorsnede van de geleidersvermelding in het eendraadschema (3.1.2.2. punt a.)
isolatie van de geleiderskabeltype, bijvoorbeeld XVB of VOB
samenstelling van de elektrische leidingeen- of meeraderig, wapening, scherm
plaatsing en omgeving van de leidingvermelding in het eendraadschema (3.1.2.2. punt a.)
omgevingstemperatuurwaar de leiding ligt, zie 5.2.3.1.

De eigenlijke berekening staat niet in het AREI. De tekst zegt enkel dat de toelaatbare stroom „volgens de regels van goed vakmanschap” berekend moet worden (4.4.1.4.) en dat de bevoegde ministers daarvoor nadere regels kunnen vaststellen. In de praktijk komen de tabellen en correctiefactoren dus uit de normenreeks NBN HD 60364-5-52, niet uit het AREI zelf.

Wat het AREI wél vastlegt, wordt daar vaak mee verward: tabel 4.11. geeft voor huishoudelijke installaties de maximale nominale stroom per doorsnede, apart voor de smeltzekering en voor de vermogensschakelaar: bij 1,5 mm² 10 A respectievelijk 16 A, bij 2,5 mm² 16 A respectievelijk 20 A, bij 4 mm² 20 A respectievelijk 25 A, bij 6 mm² 32 A respectievelijk 40 A, bij 10 mm² 50 A respectievelijk 63 A. Die tabel kent de plaatsingswijze niet. Ze is een bovengrens, geen vrijgeleide: de voorwaarde IZ ≥ IB uit onderafdeling 5.2.1.2. punt a. moet daarnaast vervuld zijn. De koppeling doorsnede-beveiliging staat uitgewerkt in kabeldoorsnede en automaat.

Wat doen bundeling, omgevingstemperatuur en isolatiemateriaal met de belastbaarheid?

Alle drie verlagen ze IZ, en in alle drie de gevallen levert het AREI de randvoorwaarde, niet de factor.

Bundeling. Het AREI legt de grens exact vast: een kabel of geïsoleerde geleider is afzonderlijk geïnstalleerd wanneer hij op minstens 20 mm van elke andere kabel of geïsoleerde geleider ligt (afdeling 2.7.1.). Alles daaronder is „in bundel of in laag” geplaatst. Dat onderscheid heeft in het AREI een rechtstreeks gevolg — maar voor de brandvoortplanting, niet voor de opwarming: afzonderlijk geplaatste geleiders en kabels hebben minstens de karakteristiek F1 of klasse Eca (onderafdeling 5.2.7.2.), in bundel of in laag minstens F2 of klasse Cca (onderafdeling 5.2.7.3.), en dat „onafhankelijk van de afstand waarover ze effectief in bundel of laag geïnstalleerd zijn”. De thermische bundelingsfactor zelf volgt opnieuw uit de regels van goed vakmanschap.

Omgevingstemperatuur. Onderafdeling 5.2.3.1. eist dat leidingen geschikt zijn voor de laagste en de hoogste plaatselijke omgevingstemperatuur en enkel binnen het door de fabrikant opgegeven temperatuurbereik geplaatst worden. Daar komt afdeling 5.2.8. bij: leidingen mogen in de buurt van verwarmings- of warmeluchtleidingen en rookafvoeren niet aan schadelijke temperaturen blootgesteld worden en moeten voldoende afstand houden of door een warmteschild gescheiden zijn. Wie een leiding vlak naast de verwarmingscollector legt, verandert daarmee haar thermische omgeving — en die maakt deel uit van dezelfde vermelding als de plaatsingswijze.

Thermische isolatie. Hier hoort een eerlijke vaststelling: het AREI bevat geen eigen reductiefactor voor leidingen in of onder isolatiemateriaal. „Thermische isolatie” komt in het reglement voor als voorzorg bij temperaturen onder −25 °C (5.2.3.1.) en in het hoofdstuk over verwarmingspanelen, waar isolatiemateriaal in contact met de verwarmingsinstallatie onbrandbaar moet zijn (5.2.9.13. punt b.5.). Een leiding in een geïsoleerd hellend dak valt dus onder „plaatsing en omgeving” van 4.4.1.4. en wordt beoordeeld volgens de regels van goed vakmanschap — niet volgens een AREI-tabel die niet bestaat.

Waar hoort de plaatsingswijze thuis: eendraadschema, situatieplan of materiaallijst?

Die drie documenten hebben in het AREI duidelijk gescheiden verplichte inhoud.

DocumentPlaatsingswijze vereist?Vindplaats
eendraadschema (huishoudelijk)ja, uitdrukkelijk3.1.2.2. punt a.
situatieplan (huishoudelijk)nee — daar staat de plaats van de onderdelen3.1.2.3. punt a.
stroombaanschema (niet-huishoudelijk)ja, samen met lengte en aantal geleiders3.1.2.2. punt b.
materiaallijstniet voorgeschreventoegelaten als bijlage bij 3.1.2.1. punt c.

De materiaallijst is in het AREI geen verplicht document. Onderafdeling 3.1.2.1. punt c. laat enkel toe schema’s en plannen aan te vullen met documenten „waarin de verschillende kenmerken van het elektrisch materieel en/of de producten nader beschreven worden”. Een kabellijst met de plaatsingswijze per leiding is precies zo’n bijlage: nuttig voor calculatie en uitvoering, maar ze ontslaat je niet van de vermelding in het eendraadschema zelf.

Hoe schema en situatieplan zich verder verdelen, staat in kabelwegen en kabellengtes; daar lees je ook waarom de lengte enkel in het niet-huishoudelijke stroombaanschema verplicht is.

Wanneer verandert de plaatsingswijze binnen één leiding?

Een leiding heeft zelden maar één plaatsingswijze. Van het bord door de muur, over het plafond, de grond in en weer tegen een buitenmuur: dat zijn er vier. Het AREI heeft daar een eigen begrip voor. Als begin van een stroombaan geldt het begin van de elektrische leiding „hetzij de plaats waar de doorsnede, aard of samenstelling van de elektrische leiding of haar plaatsingswijze verandert” (afdeling 2.6.1.).

Praktisch betekent dat: elke wissel van plaatsingswijze is een eigen beschouwingstraject. Voor de dimensionering telt het ongunstigste — een leiding die twee meter door een bundel buizen loopt en daarna vrij in het plafond ligt, wordt niet op het vrije stuk gedimensioneerd. Voor het schema betekent het: alle voorkomende wijzen horen gedocumenteerd, niet alleen de langste.

Welke regels gelden voor verzonken leidingen?

Voor de rechtstreekse plaatsing zonder buis (punt m) is onderafdeling 5.2.9.10. de maatgevende bepaling, en ze is ongewoon concreet.

In beton of cement verzonken leidingen worden bedekt met een laag beton of cement van minstens 3 cm; geleiders met enkel basisisolatie mogen er helemaal niet in verzonken worden (punt a.).

Leidingen die zonder buis in de muren van lokalen verzonken worden, moeten daarnaast binnen het gabarit blijven (punt b.):

  • het traject volgt alleen horizontale en verticale wegen; horizontale wegen in een plafond staan haaks op de verticale wanden;
  • horizontale trajecten bevinden zich op 25 à 35 cm van de vloer of het plafond, en eveneens op 25 à 35 cm boven de onderkant van de bovendrempel van het raam, voor zover ze dan minstens 25 cm onder het plafond blijven;
  • verticale trajecten liggen zo dicht mogelijk in een hoek van het lokaal of op 10 à 20 cm van de lijsten of kozijnen van de deuren;
  • buiten dit gabarit mag enkel verticaal ten opzichte van een zichtbaar toestel geplaatst worden;
  • de leidingen worden noch bij de plaatsing noch later aan mechanische invloeden onderworpen en zonder beschadiging aan de wanden gehecht;
  • de dekkende bepleistering is minstens 0,4 cm dik.

Voor buizen geldt in de plaats daarvan onderafdeling 5.2.9.3.: geleiders of kabels moeten altijd ingeschoven en verwijderd kunnen worden (punt e.), verbindingen in de buis zijn verboden (punt f.), en in ingebouwde buizen zijn T-stukken en hoekstukken niet toegelaten terwijl de geleiders in verbindings-, aftak- en trekdozen toegankelijk blijven (punt i.2.). Buizen uit brandbaar materiaal mogen enkel gebruikt worden als ze minstens 3 cm diep in onbrandbaar materiaal zitten (punt f.).

Eén belangrijke uitzondering: voor installaties op zeer lage spanning geldt het gabarit van 5.2.9.10. punt b. uitdrukkelijk niet (onderafdeling 5.2.9.15. punt b.). Bus-, bel- en stuurleidingen op ZLS moeten dus niet in het zonepatroon blijven — de overige regels van afdeling 5.2.9. blijven wel van toepassing.

Wat geldt voor ondergrondse leidingen?

Onderafdeling 5.2.9.2. punt a. is een van de scherpste bepalingen van het hoofdstuk. In de grond en in ontoegankelijke ondergrondse hulzen mogen — met uitzondering van onafhankelijke beschermingsgeleiders — enkel kabels geplaatst worden. De minimale diepte is 0,60 m, gemeten vanaf het grondvlak, „behalve indien het technisch onmogelijk is”. Kan die diepte niet gehaald worden, dan komt er een doorlopend of afgedicht omhulsel in duurzaam en weerstandbiedend materiaal in de plaats.

Bovendien moet de kabel aan één van drie voorwaarden voldoen: een geaard elektrisch scherm met wapening of versterkte buitenmantel; of een weerstandbiedende buitenmantel plus een doorlopende afdekking die bij graafwerken beschermt en aan beide zijden uitsteekt; of plaatsing in een huls dan wel een gelijkwaardig systeem. Is aan één daarvan voldaan, dan zijn voor de bescherming tegen elektrische schokken geen bijkomende maatregelen vereist.

Voor de signalisatie in de grond bevat punt d. eigen regels: merktekens aan de uiteinden van rechte stukken, minstens om de tweehonderd meter, met een oppervlakte van minstens 0,01 m² en een bliksemschicht in reliëf. Aansluitingen van laagspanningsnetgebruikers zijn daarvan vrijgesteld.

Welke kabel mag in welke plaatsingswijze?

De plaatsingswijze beperkt de kabelkeuze, los van de doorsnede.

PlaatsingswijzeToegelatenVindplaats
ondergrondsenkel kabels5.2.9.2. a.
in de vrije lucht en in opbouwenkel kabels5.2.9.5.
open gootenkel kabels5.2.9.6.
gesloten gootook geïsoleerde geleiders; buiten de lokalen van de elektrische dienst volwandig en met deksel dat enkel met gereedschap opengaat5.2.9.6.
sierlijsten, plinten en lijstengeïsoleerde geleiders of eenaderige kabels5.2.9.4. b.
buizengeïsoleerde geleiders of kabels5.2.9.3. b.
holle constructieruimtengeen geleiders met enkel basisisolatie5.2.9.9.

Daar komt de brandklasse bij. In holle constructieruimten en in sierlijsten, plinten of lijsten uit brandbare materialen eist onderafdeling 4.3.3.5. punt b. uitdrukkelijk de karakteristiek of klasse van 5.2.7.3. — dus F2 of minstens Cca. Een houtskeletwand is een holle constructieruimte. Welk kabeltype bij welke toepassing hoort, staat in XVB versus VOB; voor natte ruimten gelden bovendien de volumeregels uit badkamerkabels en AREI-zones.

Hoe legt PlanElec de plaatsingswijze vast, en wat staat er in de export?

PlanElec kent twaalf voor de woningbouw relevante plaatsingswijzen en houdt bij elke wijze de AREI-verwijzing bij waaronder ze valt:

Keuze in PlanElecKorte codeVastgelegde AREI-verwijzing
opbouwAP5.2.2.1. d
leiding in buis op de wandAR5.2.2.1. d / 5.2.9.3. h
inbouw in flexibele buisUR5.2.2.1. e
inbouw directUD5.2.2.1. m
in buisIR5.2.9.3.
bundel van buizenRB5.2.9.3.
holle wand / wandplaatHW5.2.2.1. k + l
plint / kabelgootFL5.2.2.1. f
ondergrondsEV5.2.2.1. b.1 + b.2
ondergronds in kabelbuisER5.2.2.1. b.3
kabelgoot / -ladderKW5.2.2.1. g + h
vrij in plafond of holteFV5.2.2.1. g

De plaatsingswijze hangt aan het deeltraject, niet aan de hele kabel: een kabelroute in het grondplan kan per stuk een andere wijze dragen, en elk deeltraject krijgt zijn eigen kleur met de tweeletterige code. In het eendraadschema wordt standaard één maatgevende wijze getekend — de meest restrictieve van de voorkomende. Wijzen waarvoor in het gereedschap geen betrouwbare referentietabel bestaat, krijgen daarbij bewust voorrang in plaats van verborgen te worden achter een verzonnen thermische rangorde.

Sinds de update van 28 augustus 2026 kun je leidingen in buis, bundels van buizen, ondergrondse leidingen in kabelbuis en buizen op de wand afzonderlijk kiezen; elke plaatsingswijze draagt in kabelmenu, editor, voorbeeld en pdf hetzelfde volledige teken met zijn eigen draaglijn. Die draaglijn is precies waarom opbouw en inbouw van elkaar te onderscheiden zijn: ze stelt de geleider voor, en of de muurtekens erboven of eronder liggen ís de uitspraak. Sinds 29 augustus 2026 klik je de plaatsingswijze rechtstreeks in het schema aan; het kabelmenu verschijnt op de gekozen plek en blijft daarnaast bereikbaar in het eigenschappenpaneel. In de kabellijst verschijnt ze als aparte kolom „Installatiemethode”.

Wat de AREI-zelfcontrole hierover niet doet

De zelfcontrole is oriënterend. Voor de plaatsingswijze betekent dat concreet:

  • Ze controleert niet de toelaatbare stroom bij de ingevoerde plaatsingswijze. Wat gecontroleerd wordt, is of de kabeldoorsnede bij de nominale stroom van de beveiliging past — dat is de koppeling uit tabel 4.11., en die kent de plaatsingswijze niet. Bundeling, omgevingstemperatuur en isolatiemateriaal spelen in geen enkele controle mee.
  • Ze controleert niet of het gabarit van 5.2.9.10. punt b. gerespecteerd is, of de bepleistering en de betonbedekking dik genoeg zijn, of een ondergrondse leiding diep genoeg ligt. Dat zijn maten op de werf, geen gegevens in het model.
  • Ze controleert één plaatsingsafhankelijke regel: kabels in holle constructieruimten moeten in een buis liggen of minstens klasse Cca halen (4.3.3.5. punt b. / 5.2.7.3.). Ontbreekt de brandklasse, dan meldt PlanElec een gegevenslacune in plaats van een fout; ligt ze onder Cca zonder gedocumenteerde buis, dan is het een fout.
  • Ze controleert niet of de ingevoerde plaatsingswijze overeenkomt met wat er nadien werkelijk geplaatst is. Dat is een visuele vaststelling ter plaatse.
  • Ze vervangt noch meting noch keuring; de officiële beoordeling gebeurt uitsluitend door een erkend organisme. De volledige omvang staat in wat de zelfcontrole controleert.

Welke fouten vallen op bij de keuring?

  • Geïsoleerde geleiders in plaats van kabels in opbouw of in een open goot. Losse VOB-aders zichtbaar tegen de muur of in een goot zijn in strijd met 5.2.9.5. respectievelijk 5.2.9.6.: daar zijn uitsluitend kabels toegelaten.
  • Sleuf buiten het gabarit. Diagonale trajecten en verlopen dwars door het midden van de muur zijn de klassieker bij 5.2.9.10. punt b.
  • Te dunne bedekking. Minder dan 0,4 cm bepleistering boven de leiding of minder dan 3 cm beton bij ingegoten leidingen (5.2.9.10. punten a. en b.).
  • Verbinding in de buis. Klemmen en lasdoppen in een buis zijn verboden (5.2.9.3. punt f.); aansluitingen in trek- en verbindingsdozen horen op een geschikt klemmenblok.
  • Buis niet meer natrekbaar. Te scherpe bochten of overvolle buizen schenden de eis dat geleiders altijd ingeschoven en verwijderd kunnen worden (5.2.9.3. punt e.).
  • Holte met Eca in plaats van Cca en zonder buis. Een frequente bevinding in houtbouw en verlaagde plafonds (4.3.3.5. punt b. / 5.2.7.3.).
  • Ondergrondse kabel te ondiep. Minder dan 0,60 m zonder doorlopend beschermingsomhulsel (5.2.9.2. punt a.).
  • Plaatsingswijze ontbreekt in het schema. Een eendraadschema met type, doorsnede en aantal geleiders maar zonder plaatsingswijze is onvolledig (3.1.2.2. punt a.) — hoe netjes de installatie ook uitgevoerd is.

Verder lezen

PlanElec openen en plaatsingswijzen invullen →

Reglementaire basis: AREI/RGIE boek 1 V06 — afdelingen 2.6.1., 2.7.1., 2.7.2., 5.2.2., 5.2.8., onderafdelingen 3.1.2.1., 3.1.2.2., 3.1.2.3., 4.3.3.5., 4.4.1.4. met tabel 4.11., 5.2.1.2., 5.2.3.1., 5.2.7.2., 5.2.7.3. en afdeling 5.2.9. met de onderafdelingen 5.2.9.1. tot 5.2.9.15. De officiële tekst, de werkelijke toestand van de installatie en het oordeel van het erkende organisme blijven doorslaggevend.