Handleiding

Elektriciteit plannen over meerdere verdiepingen: heeft elke verdieping een eigen bord nodig?

Wanneer een onderverdeelbord per verdieping zinvol is, hoe je de voedingsleiding dimensioneert en beveiligt, wat het AREI écht zegt over selectiviteit, en hoe verdiepingen op het situatieplan en het eendraadschema verschijnen — met AREI-artikel bij elke uitspraak.

Gepubliceerd op 31 augustus 2026 14 min

Heeft elke verdieping een eigen verdeelbord nodig?

Neen. Het AREI kent geen regel „één bord per verdieping". Het vraagt een hoofdschakel- en verdeelbord met een algemene lastscheidingsschakelaar waarvan de toegekende stroomsterkte in huishoudelijke installaties niet minder dan 40 A bedraagt (onderafdeling 5.3.5.1. punt b.), en dat schakel- en verdeelborden in huishoudelijke installaties gemakkelijk bereikbaar zijn zonder bijzondere hulpmiddelen (punt c.). Of daar een tweede bord op de bovenverdieping bij hoort, beslis jij — niet de norm.

Wat de norm wél oplegt zijn aantalsgrenzen, en net die duwen het aantal stroombanen omhoog in een rijwoning van drie of vier niveaus: per eindstroombaan blijft het aantal enkelvoudige of meervoudige contactdozen beperkt tot acht, en minstens twee afzonderlijke stroombanen voeden de verlichtingstoestellen voor wooneenheden die meer dan twee lokalen en/of plaatsen bevatten (onderafdeling 5.3.5.2. punt b.). Daarbovenop mogen er ten hoogste acht eindstroombanen per differentieelstroombeschermingsinrichting met hoge of zeer hoge gevoeligheid geïnstalleerd worden (onderafdeling 4.2.4.3. punt b.). Een onderverdeelbord volgt uit die grenzen en uit de leidinglengtes — niet uit een verdiepingsgrens.

De term die het AREI daarvoor gebruikt, helpt bij het denken: een elementaire stroombaan is het deel van een installatie tussen twee opeenvolgende beschermingsinrichtingen tegen overstroom (hoofdstroombaan) of het deel na de laatste beschermingsinrichting (eindstroombaan) — afdeling 2.6.1. De voedingsleiding naar een onderverdeelbord is dus geen eindstroombaan maar een hoofdstroombaan. Alle regels die over eindstroombanen gaan — de acht contactdozen, de acht kringen per differentieel — gelden er niet voor.

Wanneer is een onderverdeelbord per verdieping zinvol — en wanneer niet?

De beslissing volgt uit vier waarneembare grootheden: aantal eindstroombanen, langste leidingtracé, bereikbaarheid en geplande uitbreiding. Onderstaande toewijzing vat samen wat in een Belgische woning in de praktijk speelt; de normkolom noemt de bepaling die de grens überhaupt veroorzaakt.

SituatieEén bord volstaatOnderverdeelbord zinvolNormverwijzing
Twee niveaus, compacte rijwoning, minder dan ca. 15 eindstroombanengeen voorschrift; het aantal volgt uit 5.3.5.2. b en 4.2.4.3. b
Meer dan 16 eindstroombanen, dus meer dan twee gevoelige differentiëlen nodigten hoogste 8 eindstroombanen per gevoelige differentieel (4.2.4.3. b)
Verste leiding ruim boven 25–30 m vanaf het bordspanningsval te beperken volgens de regels van goed vakmanschap (afdeling 5.2.5.)
Zolder met warmtepomp, voorbereiding laadpaal of bureau geplandvoedingsvermogen met gelijktijdigheidsfactor te bepalen (afdeling 3.2.1.)
Bord in de kelder, bovenverdieping enkel via een ladder bereikbaargemakkelijk bereikbaar zonder bijzondere hulpmiddelen (5.3.5.1. c)
Afzonderlijke energietarieven of een eigen DNB-meter per niveaugescheiden platen op ≥ 10 cm of afzonderlijke borden (5.3.5.1. c)
Huurappartement per verdieping, elk een eigen installatieelke wooneenheid is een eigen huishoudelijke installatie (3.1.2.1. a)
Renovatie, één verdieping blijft voorlopig ongemoeidde controle beperkt zich tot toegevoegde of gewijzigde delen (6.4.7.3.)

Twee argumenten die vaak tégen een tweede bord pleiten: elk extra bord is een extra plaats die zonder hulpmiddelen bereikbaar, bedienbaar en onderhoudbaar moet blijven (5.3.5.1. c), en het moet individueel gemarkeerd zijn met duidelijk aangeduide voedingsspanning (onderafdeling 3.1.3.3. punt a.). In een duplex met twee slaapkamers kost dat meer dan het aan kabel bespaart.

Hoe dimensioneer je de voedingsleiding naar het onderverdeelbord?

In drie stappen, waarvan alleen de laatste met een cijfer in het AREI staat.

Eerst het voedingsvermogen. Bij het vaststellen van het voedingsvermogen van een installatie of een deel daarvan mag rekening worden gehouden met de gelijktijdigheidsfactor en de gebruiksfactor van de belastingen (afdeling 3.2.1.). Het AREI noemt daar geen getal — welke factor gepast is, is een kwestie van de regels van goed vakmanschap en van het werkelijke gebruik van de verdieping.

Dan de toelaatbare stroom. De toelaatbare stroom IZ van een elektrische leiding hangt af van de doorsnede van de geleider, de isolatie, de aard van de leiding, de plaatsingswijze en omgeving, en de omgevingstemperatuur (onderafdeling 4.4.1.4.). Een voedingsleiding die 6 m verticaal door een gesloten kokerkanaal loopt, heeft niet dezelfde belastbaarheid als diezelfde leiding vrij op een kabelbaan — de plaatsingswijze zit in de berekening, niet in de opsmuk.

Ten slotte het kaliber. Voor huishoudelijke installaties begrenst tabel 4.11. (onderafdeling 4.4.1.4.) de maximale nominale stroom van de beschermingsinrichting in functie van de doorsnede:

Doorsnede van de geleiderMaximale nominale stroom van de smeltzekeringMaximale nominale stroom van de vermogensschakelaar
1,5 mm²10 A16 A
2,5 mm²16 A20 A
4 mm²20 A25 A
6 mm²32 A40 A
10 mm²50 A63 A
16 mm²63 A80 A
25 mm²80 A100 A
35 mm²100 A125 A

De tabel is een bovengrens, geen advies. Ze zegt welk kaliber een doorsnede verdraagt — niet welke doorsnede jouw voedingsleiding nodig heeft. De bijkomende voorwaarde staat in onderafdeling 4.4.3.2.: de nominale stroom In van de beveiliging tegen overbelasting moet ten minste gelijk zijn aan de gebruiksstroom IB van de stroombaan en kleiner dan de toelaatbare stroom IZ van de leiding die ze beschermt; de conventionele werkstroom If overschrijdt 1,45 × IZ niet.

Vakpraktijk, geen norm: in een Belgische woning komt een voedingsleiding naar een verdiepingsbord doorgaans uit op 6 mm² met een C32-automaat of op 10 mm² met C40, en wordt de algemene schakelaar van het onderverdeelbord op 40 A uitgevoerd — de kleinste courante maat die het hele bereik dekt en sowieso de ondergrens van 5.3.5.1. b haalt. Het AREI schrijft geen van die waarden voor; het begrenst alleen naar boven.

Moet de voedingsleiding in het hoofdbord beveiligd zijn?

In principe ja, en wel aan het begin ervan. Een beveiliging tegen kortsluiting wordt geplaatst aan het begin van elke stroombaan die bestaat uit elektrische leidingen met gelijkwaardige eigenschappen (onderafdeling 4.4.2.2. punt a.). Voor overbelasting geldt hetzelfde principe: de beveiliging wordt in de regel geplaatst waar een wijziging van doorsnede, aard, plaatsingswijze of samenstelling de toelaatbare stroom verlaagt (onderafdeling 4.4.3.1.) — dus precies waar de rail van het hoofdbord overgaat in een kabel van 6 mm².

Het AREI kent daar drie afwijkingen op die in installaties over meerdere niveaus echt voorkomen:

  • Stroomopwaartse beveiliging volstaat. Aan het begin van een stroombaan mag de kortsluitbeveiliging ontbreken, op voorwaarde dat wordt nagegaan of de stroomopwaartse beveiliging haar functie nog kan vervullen (4.4.2.2. a).
  • Drie meter speling. De beveiliging mag tot 3 m van het begin van de stroombaan op de leiding worden geplaatst, op voorwaarde dat dat stuk geen aansluitingen, aftakkingen, doorsnedeverminderingen of verkleiningen van schakelapparatuur bevat en zich niet in de nabijheid van brandbare materialen bevindt (4.4.2.2. b).
  • Som van de aftakkingen. Van beveiliging tegen overbelasting mag worden afgezien bij een leiding die meerdere individueel beveiligde aftakkingen voedt, op voorwaarde dat de som van de nominale of ingestelde stromen van de beschermingsinrichtingen van die aftakkingen kleiner is dan de nominale of ingestelde stroom van de inrichting die de beschouwde leiding tegen overbelasting zou beschermen (onderafdeling 4.4.3.3.).

Die derde afwijking wordt bij voedingsleidingen het vaakst verkeerd gelezen. Ze laat niet toe de voeding onbeveiligd te laten — ze laat toe de overbelastingsbeveiliging weg te laten wanneer de som van de stroomafwaartse kalibers de leiding sowieso nooit kan overbelasten. De kortsluitbeveiliging blijft onaangeroerd. In een onderverdeelbord met acht C16 en twee C20 tellen de kalibers op tot 168 A; een voedingsleiding van 6 mm² valt niet onder die afwijking.

Vergeet de markering niet: stroombanen die stroomopwaarts van de algemene schakelaar van het schakel- en verdeelbord aangesloten zijn, moeten als dusdanig gemarkeerd zijn (onderafdeling 3.1.3.1.).

Vraagt het AREI selectiviteit tussen hoofdbord en onderverdeelbord?

Voor een gewone huishoudelijke installatie: neen. Het woord selectiviteit staat in het AREI uitsluitend in de context van veiligheidsinstallaties en kritische installaties. Daar staat dat de goede werking van stroombanen met veiligheidsverbruikers respectievelijk van veiligheidsstroombanen niet mag worden beïnvloed door elektrische fouten in andere stroombanen, en dat dit „selectiviteit tussen de beschermingsinrichtingen vereist" (onderafdelingen 5.5.7.1. punt a. en 5.5.7.2.; woordelijk hetzelfde voor kritische installaties in hoofdstuk 5.6.). Voor de voedingsleiding naar de slaapverdieping van een eengezinswoning bestaat er geen overeenkomstig voorschrift.

Wat het AREI wél regelt, is de coördinatie van in serie geplaatste beschermingsinrichtingen (onderafdeling 4.4.1.3.) — en dat is iets anders dan selectiviteit. Worden meerdere beschermingsinrichtingen in serie geplaatst, dan kunnen ze zo gecoördineerd worden dat de stroomopwaartse inrichting bij een kortsluiting de energie die door de stroomafwaartse inrichtingen vloeit, beperkt tot een waarde die deze inrichtingen en de door hen beschermde leidingen aankunnen. Zijn beide vermogensschakelaars, dan heet die bijkomende bescherming back-upbescherming; voor het bepalen ervan moeten de back-uptabellen van de fabrikant worden opgevraagd, opgesteld volgens de productnormen voor vermogensschakelaars (4.4.1.3.). Bij niet-huishoudelijke installaties moet de toepassing van die techniek zelfs op de markering van het schakel- en verdeelbord staan (onderafdeling 3.1.3.3. punt b.).

Het verschil in één zin: back-upbescherming zorgt ervoor dat de stroomafwaartse automaat een kortsluiting overleeft die hij alleen niet kon onderbreken. Selectiviteit zorgt ervoor dat bij een fout op de bovenverdieping niet het hele huis donker wordt. Het eerste is een veiligheidsvraag en staat in het AREI; het tweede is een comfort- en beschikbaarheidsvraag en is buiten veiligheidsinstallaties een ontwerpkeuze.

Vakpraktijk: een trapsgewijze afstemming — stroomopwaarts trager en groter, stroomafwaarts sneller en kleiner, bij differentiëlen bijkomend via gevoeligheid en vertragingstijd — is in installaties over meerdere niveaus gebruikelijk en verstandig. Maar het is een uitwerking volgens IEC 60364-5-53 en fabrikantgegevens, geen AREI-verplichting. Wie ze in een controleverslag als „AREI-eis" verdedigt, beroept zich op een bepaling die niet bestaat.

Mag één stroombaan meerdere verdiepingen voeden?

Ja. Het AREI kent geen regel die een eindstroombaan tot één niveau beperkt. Een verlichtingskring die gang, traphal en bovengang samen voedt, is toegelaten — en in Belgische rijwoningen de normale gang van zaken, want de traphal hoort geometrisch bij beide niveaus.

Alle aantals- en toewijzingsgrenzen blijven echter onverkort gelden, en die tellen over de verdiepingen heen:

GrensWaardeVindplaats
Enkelvoudige of meervoudige contactdozen per eindstroombaanten hoogste 85.3.5.2. b
Afzonderlijke verlichtingsstroombanen bij meer dan twee lokalen en/of plaatsenminstens 25.3.5.2. b
Eindstroombanen per differentieel met hoge of zeer hoge gevoeligheidten hoogste 84.2.4.3. b
Differentieel aan het begin van de installatieten hoogste 300 mA4.2.4.3. b
Vaste toestellen met een gemeenschappelijk bedieningstoestel in een gemengde kringtellen als 1 contactdoos5.3.5.2. b

De derde en vierde rij spelen samen zodra er een onderverdeelbord bij komt. Onmiddellijk na de beschermingsinrichting aan het begin van de installatie wordt minstens één differentieel met hoge of zeer hoge gevoeligheid geplaatst, waarop minstens de contactdozen voor niet-vaste toestellen, de verlichting, de lokalen met badkuip en/of douche en de wasmachines, droogkasten en vaatwassers worden aangesloten — met ten hoogste acht eindstroombanen per differentieel (4.2.4.3. b). Een badkamer op de bovenverdieping die vanuit het bord daar gevoed wordt, heeft die toewijzing dus ook dáár nodig; de 300 mA aan het begin van de installatie vervangt ze niet.

Twee praktische beperkingen die uit het principe volgen en niet uit een artikel: een eindstroombaan over drie niveaus wordt lang, en spanningsval in elektrische leidingen moet beperkt blijven tot de waarden beschreven in de regels van goed vakmanschap (afdeling 5.2.5. — het AREI noemt daar zelf geen percentage). En een kring die over drie niveaus uitwaaiert, is bij het zoeken naar een fout lastig, omdat je dat installatiedeel niet meer op één plaats spanningsloos maakt. Hoe je de bijbehorende lengtes onderbouwd bepaalt, staat in Kabelwegen en kabellengtes.

Hoe voer je de voedingsleiding door de vloerplaat?

De doorvoering zelf is geregeld. Bij vloerdoorvoeringen wordt de elektrische leiding ter hoogte van de afgewerkte vloer beschermd tegen mechanische beschadiging en tegen vloeistoffen die over de afgewerkte vloer kunnen lopen. Gebeurt de doorvoering met geleiders in buizen, dan zijn die buizen waterdicht en steekt hun bovenuiteinde boven de vloer uit — minstens even hoog als de plinten, indien aanwezig, en minstens 10 cm (onderafdeling 5.2.1.5.). Diezelfde bepaling vraagt bij doorvoeringen tussen lokalen met sterk verschillende luchtvochtigheid bijzondere voorzorgen tegen condensatie; niet-afgedichte buizen worden dan naar het vochtigste lokaal toe schuin naar beneden gelegd.

Voor het verticale tracé binnen één verdieping gelden de plaatsingszones: leidingen die zonder buis in wanden van lokalen worden ingebouwd, lopen uitsluitend horizontaal of verticaal, waarbij verticale tracés zo dicht mogelijk bij een hoek van het lokaal liggen of op 10 tot 20 cm van deurlijsten of -kozijnen (onderafdeling 5.2.9.10. punt b.). Horizontale tracés liggen 25 tot 35 cm boven de vloer of onder het plafond.

Het kokerkanaal is een eigen, in het AREI benoemde plaatsingswijze (onderafdeling 5.2.2.1. punt h.1, figuur 5.11.) — en de juiste keuze zodra meerdere leidingen hetzelfde verticale tracé volgen. Twee aandachtspunten:

  • Worden in een kabelbaan of een kokerkanaal stroombaanleidingen met verschillende spanningen gebruikt, dan worden verbindingen, aansluitingen en aftakkingen uitgevoerd in gedeelten waar de leidingen met verschillende spanning van elkaar gescheiden zijn (onderafdeling 5.2.9.6.).
  • Geïsoleerde geleiders en kabels die in bundel of in één vlak worden geplaatst, bezitten minstens de eigenschap F2 of behoren minstens tot klasse Cca — ongeacht de lengte van het traject waarover ze effectief gebundeld liggen (onderafdeling 5.2.7.3.). Een schacht met zes kabels is precies zo'n bundel.

Wat hier níet staat: de brandwerende afdichting van de schacht tussen de verdiepingen. Het AREI schrijft brandweerstand voor leidingen en borden enkel voor in de context van veiligheidsinstallaties en kritische installaties (hoofdstukken 5.5. en 5.6.). De compartimentering van een woongebouw hoort bij het bouwrecht — de basisnormen brandpreventie en de gewestelijke voorschriften — en niet bij het AREI. Verzin daar dus geen AREI-artikel voor; verwijs bij twijfel naar het brandveiligheidsdossier van het project.

Hoe loopt de equipotentiaalverbinding over meerdere niveaus?

Er zijn twee soorten equipotentiaalverbinding, en slechts één ervan loopt door het hele gebouw.

De hoofdequipotentiaalverbinding is gebouwbreed. De doorsnede van hoofdequipotentiaalgeleiders bedraagt minstens de helft van de doorsnede van de dikste beschermingsgeleider van de installatie — de aardingsgeleider niet meegerekend — met een minimum van 6 mm² koper; de doorsnede mag beperkt worden tot 25 mm² koper of de elektrisch gelijkwaardige doorsnede in een ander metaal (onderafdeling 5.4.4.1. punt a.). Die geleiders zijn groen-geel geïsoleerd en volgen de voorschriften voor beschermingsgeleiders (punt b.).

De bijkomende equipotentiaalverbinding is daarentegen uitdrukkelijk plaatselijk. In een lokaal met badkuip en/of douche verbindt ze plaatselijk alle massa's van het elektrisch materieel met de gelijktijdig aanraakbare vreemde geleidende delen die zich in dat lokaal bevinden (onderafdeling 7.1.4.4.). Een badkamer op de bovenverdieping krijgt dus haar eigen bijkomende equipotentiaalverbinding; die wordt niet van het gelijkvloers naar boven doorgetrokken. De doorsneden: minstens de helft van de doorsnede van de met een massa verbonden beschermingsgeleider, en in geen geval minder dan 2,5 mm² bij mechanisch beschermde en 4 mm² bij niet mechanisch beschermde geleiders (onderafdeling 5.4.4.2. punt a.).

Praktisch gevolg voor de voedingsleiding: de beschermingsgeleider loopt in dezelfde kabel mee naar boven; vreemde geleidende delen — water- en verwarmingsleidingen, metalen constructies — worden aangesloten waar ze het gebouw binnenkomen, via de hoofdequipotentiaalverbinding, en niet nog eens per verdieping. Welk aardingsschema daarachter zit, behandelt Aarding: TT of TN-S.

Hoe moeten de verdiepingen op het situatieplan en het eendraadschema verschijnen?

Het AREI scheidt beide documenten netjes, en die scheiding bepaalt waar een verdieping überhaupt zichtbaar wordt.

Het situatieplan duidt de plaats aan van de schakel- en verdeelborden, de verbindingsdozen, de aftakdozen, de contactdozen, de lichtpunten, de schakelaars, de vaste machines en toestellen en de bronnen die op het eendraadschema voorkomen (onderafdeling 3.1.2.3. punt a.). Het meervoud bij „schakel- en verdeelborden" is de sleutel: een onderverdeelbord op de bovenverdieping moet op het situatieplan gesitueerd zijn. Een schema alleen volstaat niet.

Het eendraadschema vermeldt de eigenschappen van de elektrische leidingen — type, doorsnede, aantal geleiders —, de plaatsingswijzen, type en eigenschappen van de differentieel- en de overstroombeveiligingen, de schakelaars, de verbindings- en aftakdozen, de contactdozen, de lichtpunten, de vaste machines en toestellen en de bronnen (onderafdeling 3.1.2.2. punt a.). Voor een voedingsleiding betekent dat concreet: type, doorsnede, aantal geleiders en plaatsingswijze zijn verplichte gegevens, geen extraatje.

Over de markering: elementaire stroombanen worden op het eendraadschema aangeduid met een hoofdletter; lichtpunten, contactdozen en stuureenheden met een nummer in de volgorde waarin ze in de stroombaan voorkomen, te beginnen bij de stroomopwaartse overstroombeveiliging. Op het situatieplan dragen dezelfde elementen de letter van hun stroombaan en het volgnummer uit het schema (onderafdeling 3.1.2.1. punt a., figuren 3.1. en 3.2.). Die markering is verdiepingsonafhankelijk — een kring C die over twee niveaus loopt, heet op beide niveaus C.

Elk schakel- en verdeelbord is bovendien duidelijk, goed zichtbaar en onuitwisbaar individueel gemarkeerd, met duidelijk aangeduide voedingsspanning (onderafdeling 3.1.3.3. punt a.), en de bedienings-, beschermings- en scheidingsinrichtingen van de stroombanen dragen individuele markeringen tenzij iedere mogelijkheid tot vergissen uitgesloten is (onderafdeling 3.1.3.1.).

Wat het AREI niet oplegt: dat er per verdieping een apart blad ontstaat of dat er per bord een apart schema wordt getekend. Beide zijn voorstellingspraktijk — wel een zeer gevestigde, want een situatieplan met twee over elkaar gelegde grondplannen wordt onleesbaar. Hoe beide documenten zich tot elkaar verhouden, staat in Eendraadschema vs. situatieschema; de opbouw van een situatieplan behandelt Situatieschema tekenen.

Heeft elke verdieping een rookmelder nodig?

Dat is geen AREI-vraag. Het AREI schrijft rookmelders voor huishoudelijke installaties niet voor. De verplichting komt uit het gewestelijke woonrecht: Vlaanderen, Wallonië en Brussel regelen elk afzonderlijk hoeveel melders waar moeten hangen, en de eisen verschillen zowel in het aantal per niveau als in het toepassingsgebied voor bestaande woningen.

Voor de planning over meerdere verdiepingen telt alleen het gevolg: het bewijs van de melders hoort niet in het AREI-controleverslag maar in de gewestelijke conformiteit, en waar de melders op 230 V werken, verschijnt hun stroombaan gewoon op het eendraadschema. De gewestelijke regels in detail staan in Rookmelder verplicht in België — daar en niet hier, zodat er maar één onderhouden versie bestaat.

Wat geldt er als je achteraf een verdieping inricht?

Een ingerichte zolder is bijna altijd een belangrijke uitbreiding. Het AREI omschrijft die als een wijziging of uitbreiding van een elektrische installatie die een bijkomende, nog niet door een gelijkvormigheidscontrole afgedekte impact heeft op de veiligheid van personen of goederen — en noemt als voorbeeld uitdrukkelijk „toevoeging van een kring in een huishoudelijke installatie" (afdeling 2.11.2., begripsbepalingen). Een nieuw onderverdeelbord met zes kringen voldoet daar meermaals aan.

Daaruit volgt drieërlei:

  • Controle vóór ingebruikname. Belangrijke wijzigingen of uitbreidingen worden vóór ingebruikname aan een gelijkvormigheidscontrole onderworpen; die controle is beperkt tot de toegevoegde of gewijzigde delen (onderafdeling 6.4.7.3.). De oude gelijkvloerse installatie wordt dus niet automatisch volledig mee gecontroleerd — maar wijzigingen die een ongewijzigd deel beïnvloeden, moeten in het controleverslag vermeld worden, en dat ongewijzigde deel wordt wél gecontroleerd voor wat de gewijzigde kenmerken betreft (ibidem).
  • 300 mA voor de hele installatie. Bij belangrijke wijzigingen of uitbreidingen van een oude huishoudelijke elektrische installatie wordt de volledige elektrische installatie beschermd door minstens één differentieel van ten hoogste 300 mA (onderafdeling 4.2.4.3. punt b.). Dat is het voorschrift dat een zolderinrichting geregeld duurder maakt dan begroot.
  • Het situatieplan gaat mee. Elke wijziging of uitbreiding van een huishoudelijke installatie wordt weergegeven op het situatieplan, dat op elk moment de bestaande toestand van de elementen toont. Oudere delen waarvan de uitvoering ter plaatse vóór 1 oktober 1981 begon en die op het eendraadschema staan, krijgen de vermelding „oud gedeelte" (onderafdeling 3.1.2.1. punt a.).

Bij wijzigingen die niet belangrijk zijn, is geen nieuw eendraadschema nodig; een korte, gedateerde en ondertekende beschrijving van de wijziging met naam, hoedanigheid en adres van de verantwoordelijke volstaat (3.1.2.1. a). Het situatieplan moet niettemin actueel blijven. De volledige volgorde voor nieuwbouw staat in de Checklist eendraadschema nieuwbouw.

Eengezinswoning of meergezinswoning — verandert dat het antwoord?

Ja, en wel op een punt dat vaak over het hoofd wordt gezien. Zolang alle verdiepingen tot één wooneenheid behoren, is de hele installatie één huishoudelijke installatie: één eendraadschema, één situatieplan, één controle, en de aantalsgrenzen uit 5.3.5.2. b gelden voor die ene eenheid.

Zodra er per verdieping een eigen wooneenheid ontstaat, ontstaan er meerdere huishoudelijke installaties — elk met een eigen hoofdschakel- en verdeelbord met algemene lastscheidingsschakelaar van minstens 40 A (5.3.5.1. b), een eigen schema, een eigen situatieplan en een eigen controle. De acht contactdozen per eindstroombaan tellen dan per wooneenheid, niet per gebouw.

Voor de gemeenschappelijke delen — traphalverlichting, belinstallatie, buitenverlichting, meterlokaal — bestaat een uitdrukkelijke versoepeling: in afwijking van de voorschriften voor niet-huishoudelijke installaties is het toegelaten zich voor de schema's, plannen en documenten van de gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel te beperken tot de voorschriften voor huishoudelijke installaties (onderafdeling 3.1.2.1. punt e.). Hetzelfde geldt voor de markering van de bijbehorende schakel- en verdeelborden (onderafdeling 3.1.3.3. punt c.). Praktisch: voor het traphalbord volstaat een eendraadschema in het vertrouwde huishoudelijke formaat — je hoeft geen kortsluitstromen, impedanties en gebruikscategorieën te documenteren zoals 3.1.2.2. b anders vraagt.

Hoe lijn je de verdiepingen in PlanElec op elkaar uit?

Verdiepingen zijn in PlanElec geen losse tekeningen maar niveaus van één gebouwmodel. Je maakt ze aan, sorteert ze en kopieert de buitencontour of de gebouwstructuur van het ene niveau naar het volgende; een gemeenschappelijk nulpunt houdt de grondplannen dekkend, en een referentie-overlay toont de buurverdieping met instelbare dekking.

Het uitlijnen zelf verloopt via puntenparen: je zet hetzelfde markante punt eerst in het huidige grondplan en daarna in het getoonde referentiegrondplan. Vanaf twee puntenparen volgen verschuiving en rotatie automatisch. PlanElec toont daarna de gemiddelde en de grootste afwijking in centimeter plus de restafwijking per puntenpaar; de pijltoetsen verschuiven met 1 cm, met Shift met 10 cm. De schaal blijft daarbij vast — de uitlijning is star en vervormt een verdieping nooit om punten samen te trekken.

De verticale verbinding is een eigen element met de soorten trap, schacht en stijgzone. Een trap teken je op één verdieping en verschijnt op de buurverdieping als hetzelfde bedienbare element, gespiegeld weergegeven — doorlopend tot de snijlijn, daarna gestippeld. Wijzigingen aan de geprojecteerde tweeling worden naar de bronverdieping teruggeschreven. Een puntenpaar kun je rechtstreeks uit een trap of schacht overnemen.

Voor de elektriciteit hangt daar meer aan vast dan het lijkt:

  • Schakelketens zijn projectbreed. Tijdens het tekenen zet je een keten voort via de verdiepingskeuze; de weergave vermeldt hoeveel leden op deze verdieping liggen en hoeveel in totaal over hoeveel verdiepingen.
  • De kringtoewijzing werkt over verdiepingen heen: verbruikers op meerdere verdiepingen wijs je samen toe aan een bestaande automaat, en de selectie overleeft het wisselen van verdieping.
  • Fysieke kabelroutes lopen wel degelijk over verdiepingen heen, maar in twee soorten etappes: verdiepingsetappes teken en bewerk je lokaal op hun eigen niveau, de verticale etappe kies je via een verbinder in plaats van ze te tekenen. De verticale lengte wordt afgeleid uit de verdiepingshoogtes en de horizontale verspringing zolang ze niet gemeten is — en telt mee in de kabellengte en dus in de spanningsvalberekening. Verdiepingshoogtes zijn gemarkeerd als aanname of als bevestigde waarde; standaard 2,50 m vrije hoogte en 0,30 m vloerdikte.
  • Onderverdeelborden ontstaan als een eigen bord met een voedingsleiding vanaf het bovenliggende bord. PlanElec maakt daarvoor de voedingsautomaat in het voedende bord aan, hangt de algemene schakelaar van het onderbord eronder en stelt kaliber en doorsnede voor op basis van de verwachte belasting en een gelijktijdigheidsfactor van 0,7. De verdiepingstoewijzing van een bord ontstaat doordat je het bordsymbool in het grondplan van die verdieping plaatst.

Bij het exporteren krijgt elke verdieping een eigen pagina van het situatieplan, met eigen naamblok; verdiepingen zonder getekende muren worden overgeslagen. Het eendraadschema wordt opgebouwd als één blad per bord, hoofdbord eerst, en één bord kan zelf meerdere A4-pagina's beslaan. Tussen de bladen plaatst PlanElec verwijzingen in beide richtingen: op het blad van het hoofdbord draagt het vertrek naar het onderbord diens bladnummer, en op het blad van het onderbord draagt de voeding het bladnummer van het voedende bord.

Wat de AREI-zelfcontrole hier niet doet

De zelfcontrole is oriënterend en beoordeelt alleen ondersteunde regels op basis van de ingevoerde gegevens. Voor installaties over meerdere verdiepingen betekent dat concreet:

Wat ze wel controleert:

  • Of een voedingsleiding tussen twee borden een eigen beschermingsinrichting in het voedende bord heeft, naar een bestaand doelbord verwijst en aan beide kanten consistent is toegewezen. Ontbreekt daar iets, dan is dat een fout, geen tip.
  • De spanningsval met de werkelijke kabellengte, inclusief de verticale etappes van routes over verdiepingen heen. Ontbreekt de lengte, dan volgt geen fout maar een niet-blokkerende melding dat de invoer ontbreekt.
  • Een trapsgewijze afstemming tussen stroomopwaartse en stroomafwaartse differentiëlen — uitdrukkelijk als praktijkaanbeveling volgens IEC 60364-5-53, niet als AREI-regel, en daarom als waarschuwing die je kunt overrulen.
  • De rookmelderdekking per verdieping — eveneens als overrulebare waarschuwing en uitdrukkelijk als verwijzing naar gewestelijk recht, niet naar het AREI. Zijn slaapkamers of gangen als ruimtetype ingevuld, dan meldt PlanElec per ruimte; pas als op een verdieping geen zo'n ruimtetype herkenbaar is, valt ze terug op de verdiepingsregel.

Wat ze niet controleert:

  • De doorsnede van de voedingsleiding. De leiding tussen twee borden wordt als stroombaan met beschermingsinrichting bijgehouden, maar niet als eigen kabelsegment met doorsnede. De doorsnede die bij het aanmaken verschijnt, is een voorbeeldberekening en geen bewaarde waarde — ze duikt daarom noch in de doorsnedecontrole noch in de spanningsvalberekening op.
  • De ampèreafstemming tussen de voedingsautomaat en de algemene schakelaar van het onderbord. Dat is een bewuste keuze: de coördinatie van in serie geplaatste beschermingsinrichtingen verloopt volgens 4.4.1.3. via doorgelaten energie en uitschakelvermogen, en dus via de back-uptabellen van de fabrikant, niet via de nominale stroom.
  • Kortsluitselectiviteit tussen vermogensschakelaars. Daar bestaat geen regel voor — en volgens het AREI ook geen verplichting buiten veiligheids- en kritische installaties.
  • De stijgzone als concept. Ze is een soort verticale verbinder in het grondplan en dient het kabelrouten; geen controleregel evalueert ze.
  • Brandwerende afdichting, compartimentering en schachtafsluiting. Dat valt buiten het AREI en buiten de zelfcontrole.
  • Ze vervangt noch meting noch keuring. De officiële beoordeling gebeurt uitsluitend door een erkend organisme.

Verder lezen

PlanElec openen en verdiepingen aanmaken →

Reglementaire basis: AREI/RGIE Boek 1 V06 — afdelingen 2.6.1. en 2.11.2., onderafdelingen 3.1.2.1., 3.1.2.2., 3.1.2.3., 3.1.3.1., 3.1.3.3., afdeling 3.2.1., onderafdeling 4.2.4.3., hoofdstuk 4.4. (onderafdelingen 4.4.1.3., 4.4.1.4. met tabel 4.11., 4.4.2.2., 4.4.3.1., 4.4.3.2., 4.4.3.3.), afdelingen 5.2.1.5., 5.2.2.1., 5.2.5., 5.2.7.3., 5.2.9.6., 5.2.9.10., onderafdelingen 5.3.5.1., 5.3.5.2., 5.4.4.1., 5.4.4.2., 5.5.7.1., 5.5.7.2., 6.4.7.3. en 7.1.4.4. Doorslaggevend blijven de officiële tekst, de werkelijke toestand van de installatie en de controle door het erkend organisme.