Materiaallijst van een elektrische installatie: welke posten horen erin?
Zeven postengroepen, hun herleiding uit eendraadschema en situatieplan, de posten die stelselmatig vergeten worden — aardingsmateriaal, dozen, kabelreserve, vrije plaatsen — en waar het AREI wél en niet een hoeveelheid vastlegt.
Welke posten horen in de materiaallijst van een elektrische installatie?
Zeven groepen: verdeelbord, beveiligingstoestellen, leidingen, dozen, schakelaars en contactdozen, aarding, klein materiaal. Een lijst is niet volledig omdat alle zeven titels erin staan, maar omdat elke post een herleidbare herkomst heeft — een aantal uit het plan, een regel uit het AREI of een uitdrukkelijk benoemde aanname van je bedrijf. Ontbreekt die herkomst, dan is de hoeveelheid niet controleerbaar en bij de volgende planversie ook niet meer corrigeerbaar.
| Postengroep | Typische afzonderlijke posten | Hoeveelheid volgt uit | Normanker |
|---|---|---|---|
| Verdeelbord | Kast met achterwand en deur, rijen en draagrails, afdekkingen, kamrails, eindkappen, voedingsklemmen, markering | Aantal modules per rij, scheiding volgens tarief | 5.3.5.1. punten a. en c., 3.1.3.1. |
| Beveiligingstoestellen | Algemene lastscheidingsschakelaar, differentieelinrichtingen 300 mA en 30 mA, automaten, eventueel overspanningsafleider | Aantal eindstroombanen en hun toewijzing aan de differentieelgroepen | 5.3.5.1. punt b., 4.2.4.3. punt b., 5.2.1.2. |
| Leidingen | Kabel per type, aderaantal en doorsnede in meter; buizen, voorbedrade buis, grondkabel | Kabeltracé per stroombaan plus marge | 3.1.2.2. punt a., 5.2.1.2. |
| Dozen | Verbindings- en aftakdozen, inbouwdozen voor volle muur of holle wand, plafond- en wanduitlaatdozen, trekdozen | Aantal toestellen plus aantal aftakpunten | 3.1.2.2. punt a., 5.2.6.1., 5.3.5.2. punt a. |
| Schakelaars en contactdozen | Sokkels, wippen en afdekkingen, afdekramen per combinatie, vochtige-ruimtevarianten met dichting | Aantal bedieningsplaatsen en contactdozen uit het situatieplan | 3.1.2.3. punt a., 5.3.5.2. punten a. en b. |
| Aarding | Aardingslus, aardgeleider, aardingsonderbreker, hoofdequipotentiale geleider, bijkomende equipotentiale geleiders, aansluitklemmen | Omtrek van het gebouw, aantal vreemde geleidende delen, badkamers | 5.4.2.1., 5.4.2.2., 5.4.3.5., 5.4.4.1., 5.4.4.2. |
| Klein materiaal | Bevestigingsmiddelen en beugels, klemmen, trekontlastingen, dekseltjes, markeringsmateriaal, dichtingen | Aanname per post — bedrijfsconventie | 5.2.9.5., 5.2.6.2. punt b., 3.1.3.1. |
De laatste rij is bewust anders gemerkt: voor klein materiaal noemt het AREI geen hoeveelheden. Het noemt voorwaarden waaruit de posten volgen — daarover verder.
In dit artikel staan geen prijzen. Niet uit voorzichtigheid, maar omdat een prijsvork zonder benoemde bron en datum na één kwartaal fout is en toch verder geciteerd wordt. Voor de kostenkant: Wat kost een elektriciteitsplan? en Kostenvergelijking: zelf tekenen of elektricien.
Is een materiaallijst verplicht volgens het AREI?
Nee. Het AREI kent de materiaallijst enkel als toegelaten bijlage bij het dossier: „De schema's, plannen en documenten kunnen worden aangevuld met documenten die op een meer gedetailleerde wijze de verschillende kenmerken van het elektrisch materieel en/of de producten bevatten" (onderafdeling 3.1.2.1. punt c.). Het woord is kunnen, niet moeten.
Verplicht zijn voor een nieuwe huishoudelijke installatie het eendraadschema en het situatieplan, opgesteld door de verantwoordelijke van de uitvoering van het werk (onderafdeling 3.1.2.1. punt a.). Voeg je de materiaallijst als bijlage toe, dan deelt ze het lot van die bijlagen: ze wordt geactualiseerd en ter plaatse ter beschikking gehouden van iedereen die gemachtigd is tot toezicht, controle, onderhoud, herstelling of omvorming (onderafdeling 3.1.2.1. punt d.).
Praktisch gevolg: de materiaallijst is een werkinstrument voor calculatie en bestelling, geen keuringsdocument. De keurder merkt haar afwezigheid niet op. Hij merkt wel op wanneer de installatie materiaal bevat dat er niet hoort — en net daar werkt een nette lijst op vooruit, omdat ze de keuze vooraf vastlegt.
Welke gegevens moet het plan bevatten om de hoeveelheden te laten kloppen?
Het eendraadschema levert bijna de volledige postenlijst, maar niet de belangrijkste hoeveelheid. Onderafdeling 3.1.2.2. punt a. eist ten minste: type, doorsnede en aantal geleiders van elke elektrische leiding, de plaatsingswijze, type en kenmerken van de differentieelstroombeschermingsinrichtingen, type en kenmerken van de beschermingsinrichtingen tegen overstroom, de schakelaars, de verbindingsdozen, de aftakdozen, de contactdozen, de lichtpunten, de vaste machines en toestellen en de bronnen.
Dat is een opvallend volledige opsomming — en ze bevat geen lengte. De lengte van de elektrische leidingen wordt alleen geëist voor niet-huishoudelijke installaties (onderafdeling 3.1.2.2. punt b.). In de woningbouw staat de bepalende invoerwaarde voor de kabelhoeveelheid dus in geen enkel verplicht document.
| Hoeveelheid in de lijst | Invoerwaarde | Staat in een verplicht document? |
|---|---|---|
| Aantal contactdozen | Contactdozen in schema en situatieplan | ja (3.1.2.2. a., 3.1.2.3. a.) |
| Aantal schakelaars | Schakelaars in het schema, hun plaats op het plan | ja (3.1.2.2. a., 3.1.2.3. a.) |
| Aantal dozen | Verbindings- en aftakdozen in het schema | ja (3.1.2.2. a.) |
| Aantal automaten | Aantal eindstroombanen | ja (3.1.2.2. a.) |
| Kabeltype en doorsnede | Type, doorsnede, aderaantal per leiding | ja (3.1.2.2. a.) |
| Kabellengte in meter | Tracé langs muren, zones en verdiepingen | nee — enkel bij niet-huishoudelijke installaties |
| Aardingsmateriaal | Omtrek van het gebouw, aantal vreemde geleidende delen | nee — volgt uit hoofdstuk 5.4, niet uit het schema |
| Klein materiaal | Plaatsingswijze, bevestigingsafstanden, aansluitwijze | nee — bedrijfsconventie |
Het situatieplan draagt de plaats van diezelfde toestellen, niet hun aantal of lengte (onderafdeling 3.1.2.3. punt a.). De kabelhoeveelheid ontstaat er pas uit zodra een tracé getekend is; de systematiek staat in Kabeltracés en kabellengtes.
Hoeveel beveiligingstoestellen heb ik nodig — en waaruit volgt dat aantal?
Niet uit ervaring, maar uit vier regels die samen het aantal modules in het bord bepalen. Dit is het deel van de materiaallijst dat het AREI het sterkst stuurt.
| Regel | Vindplaats | Gevolg voor de hoeveelheid |
|---|---|---|
| Hoofdverdeelbord met een algemene lastscheidingsschakelaar; huishoudelijk niet minder dan 40 A | 5.3.5.1. punt b. | 1 post, toegekende stroom niet lager dan 40 A |
| Aan de oorsprong van de installatie ten minste één differentieelinrichting van hoogstens 300 mA, met scheidingsfunctie | 4.2.4.3. punt b. | ten minste 1 post 300 mA |
| Onmiddellijk daarna ten minste één inrichting met hoge of zeer hoge gevoeligheid, waarop contactdozen, verlichting, badkamer, wasmachine, droogkast en vaatwasser aangesloten worden | 4.2.4.3. punt b. | ten minste 1 post 30 mA |
| Hoogstens acht eindstroombanen per zo'n differentieelinrichting | 4.2.4.3. punt b. | vanaf de negende betrokken stroombaan een bijkomende 30 mA-inrichting |
| Hoogstens acht contactdozen per eindstroombaan | 5.3.5.2. punt b. | vanaf het negende stopcontact een extra stroombaan met automaat en kabel |
| Ten minste twee afzonderlijke verlichtingsstroombanen bij meer dan twee ruimten | 5.3.5.2. punt b. | minimaal 2 lichtkringen |
| Afzonderlijke stroombaan per toestel vanaf 2600 W en voor wasmachine, vaatwasser, droogkast, elektrisch fornuis, kookplaat en oven | 5.2.1.2. | 1 stroombaan, 1 beveiliging en 1 kabel per genoemd toestel |
| Differentieelinrichtingen in huishoudelijke installaties ten minste type A; aan de oorsprong ten minste 40 A nominale stroom | 5.3.5.3. punt a. | sluit type AC uit en legt een ondergrens op de bouwgrootte |
| Beveiligings- en bedieningstoestellen van verschillende tarieven op afzonderlijke panelen op ten minste 10 cm of in aparte borden | 5.3.5.1. punt c. | vergroot de kast of dwingt een tweede af |
Die ketting verklaart waarom materiaallijsten die uit een ruimtetelling ontstaan bijna altijd te krap zijn: het aantal contactdozen bepaalt niet alleen de contactdoosposten, maar via de achtregel ook het aantal stroombanen, dus het aantal automaten, het aantal kabels en uiteindelijk de bouwgrootte van de kast.
Welke toestellen een eigen kring vragen staat in Welke toestellen een eigen stroomkring nodig hebben; de bordindeling zelf in Verdeelkast plannen.
Welk aardingsmateriaal wordt stelselmatig vergeten?
Het meeste ervan. Aarding staat in het eendraadschema als één symbool, maar in de materiaallijst als zes tot tien posten met voorgeschreven minimumdoorsneden. Die doorsneden zijn cijfers uit het reglement, niet uit de catalogus.
| Post | Voorgeschreven minimum | Vindplaats |
|---|---|---|
| Aardingslus in de fundering | ten minste 35 mm² geometrische doorsnede, volle geleider of zeven samengeslagen draden, zonder lassen | 5.4.2.1. punten b.1.3. en b.1.2. |
| Metaal van de aardingslus | blank gehard elektrolytisch koper of verlood koper | 5.4.2.1. punt b.1.4. |
| Bevestiging van de aardingslus | uitsluitend koper of materiaal zonder corrosieve werking | 5.4.2.1. punt b.1.5. |
| Bijkomende aardelektrode, horizontaal | ten minste 35 mm², diepte ten minste 0,80 m, minimumlengte 15 m | 5.4.2.1. punt b.3. |
| Bijkomende aardelektrode, staaf of pen | minimumlengte 1,50 m, waarvan ten minste 1,50 m ingedreven onder het peil −0,60 m | 5.4.2.1. punt b.4.1. |
| Aardgeleider | 16 mm² koper met corrosiewerende bekleding, anders 25 mm² koper, 50 mm² bij aluminium of staal | 5.4.2.2. |
| Aardingsonderbreker | klem of strip die enkel met gereedschap losgemaakt kan worden | 5.4.3.5. |
| Hoofdequipotentiale geleider | halve doorsnede van de grootste beschermingsgeleider, minimaal 6 mm² koper, mag beperkt tot 25 mm² | 5.4.4.1. punt a. |
| Bijkomende equipotentiale geleiders | ten minste 2,5 mm² mechanisch beschermd, 4 mm² onbeschermd | 5.4.4.2. punt a. |
Drie punten die in calculaties ontbreken:
- De aardingslus is werfmateriaal, geen elektromateriaal. Ze is vereist bij elk nieuw gebouw waarvan de bodem van de funderingssleuf op ten minste 60 cm diepte ligt (5.4.2.1. punt b.1.1.), en ze wordt geplaatst voordat iemand aan stopcontacten denkt. Wie de elektromateriaallijst pas na de ruwbouw opmaakt, heeft die post structureel niet meer in beeld.
- De uiteinden blijven bereikbaar (5.4.2.1. punt b.1.6.). Dat is een uitvoeringseis met een materiaalgevolg: put, deksel, aanduiding.
- De hoofdequipotentiale verbinding is geen enkele klem, maar één geleider per vreemd geleidend deel — water, gas, verwarming — met een aansluitklem aan de betrokken leiding. De hoeveelheid volgt uit de technieken, niet uit het elektroplan.
Welk aardingsstelsel geldt behandelt Aarding TT of TN-S.
Waarom ontbreken verbindingsdozen en inbouwdozen zo vaak in de lijst?
Omdat ze in je hoofd bij de kabel horen en in de catalogus bij het toebehoren — terwijl het AREI ze uitdrukkelijk als eigen onderdelen benoemt.
Vier regels maken ze onvermijdelijk:
- Verbindingen mogen enkel op bepaalde plaatsen liggen: in schakel- en verdeelborden, in verbindings- of aftakdozen, aan de klemmen van schakelaars of contactdozen, of in voldoende grote plafonddozen waaraan verlichtingstoestellen hangen (onderafdeling 5.2.6.1.). Elke aftakking op het plan is dus een materiaalpost.
- In buizen zijn verbindingen verboden (onderafdeling 5.2.9.3. punt f.). Wie een tracé zonder doos tekent, tekent een niet-toegelaten uitvoering.
- In verbindings-, aftak- en trekdozen blijven de geleiders bereikbaar; T-stukken en bochten zijn verboden (onderafdeling 5.2.9.3. punt i.2.). Dat sluit de kleinst mogelijke doos uit en werkt door op de bouwgrootte, dus op de prijs.
- In muren ingebouwde contactdozen zitten in metalen dozen of in dozen uit isolerend materiaal (onderafdeling 5.3.5.2. punt a.). De inbouwdoos is dus geen optie maar verplicht materiaal — één per inbouwpunt, en in een holle wand een ander type dan in metselwerk.
Daarbij komt: verbindingsdozen en aftakdozen behoren tot de verplichte inhoud van het eendraadschema (onderafdeling 3.1.2.2. punt a.). Een schema zonder die dozen is onvolledig — en een materiaallijst die daaruit wordt afgeleid ook.
Hoeveel kabelreserve moet ik inrekenen?
Over de hoogte van een marge zegt het AREI niets — geen percentage, geen reservelengte, geen snijverliesfactor. Elk cijfer dat je gebruikt is een conventie van je bedrijf en hoort als zodanig in het rekenblad.
Wat het reglement wél vastlegt, zijn de voorwaarden waaruit een reserve volgt:
- Aansluitingen op toestellen mogen niet aan trek- en wringkrachten blootgesteld worden (onderafdeling 5.2.6.2. punt b.).
- Bij verticale delen mogen trekkrachten door het eigen gewicht niet op de aansluitklemmen inwerken (onderafdeling 5.2.9.5.).
- In buizen moet het te allen tijde mogelijk blijven geleiders of kabels in te trekken of te verwijderen (onderafdeling 5.2.9.3. punt e.).
- In dozen blijven de geleiders bereikbaar (onderafdeling 5.2.9.3. punt i.2.), wat zonder lus in de doos niet lukt.
De marge is dus geen veiligheidsopslag op een onzekere berekening, maar een materiaalpost met een doel. Wie ze forfaitair toepast, documenteert best percentage, herkomst en geldigheidsdatum mee. De herleiding van de basislengte staat in Kabeltracés en kabellengtes; welk begeleidend materiaal een plaatsingswijze meebrengt in Plaatsingswijzen volgens het AREI.
Hoeveel vrije plaatsen horen in het verdeelbord?
Het AREI schrijft geen vrije plaatsen voor. Een volledige tekstvergelijking van de negen delen in de Nederlandse, Franse en Duitse versie levert geen vindplaats op die een aantal vrije modules, een percentage of een minimumreserve noemt. Wie een cijfer noemt, noemt een bedrijfsconventie — wat legitiem is, zolang het zo gezegd wordt.
Wat het reglement in plaats daarvan eist en wat praktisch dezelfde richting uitgaat:
- Stroombanen worden zo aangelegd dat ze later bij toezicht, controle, onderhoud, herstelling, wijziging of uitbreiding identificeerbaar zijn (onderafdeling 3.1.3.1.).
- Bedienings-, beschermings- en scheidingsinrichtingen zijn duidelijk, opvallend en onuitwisbaar individueel gemerkt (onderafdeling 3.1.3.1.). Markeringsmateriaal is dus een post, geen vriendelijkheid.
- Stroombanen die vóór de hoofdschakelaar aangesloten zijn, moeten als zodanig gemerkt zijn (onderafdeling 3.1.3.1.).
- Elke wijziging of uitbreiding wordt op het situatieplan aangebracht, dat op ieder ogenblik de bestaande toestand weergeeft (onderafdeling 3.1.2.1. punt a.).
- Het materieel in het bord blijft gemakkelijk bereikbaar, in huishoudelijke installaties zonder speciale middelen (onderafdeling 5.3.5.1. punt c.).
En één kastregel die vaker over het hoofd wordt gezien dan vrije plaatsen: schakel- en verdeelborden in huishoudelijke installaties zijn van klasse I of II, voorzien van een achterwand en een deur, uit onbrandbaar en niet-hygroscopisch materiaal; de achterwand mag tijdens de hele gebruiksduur niet weggenomen kunnen worden (onderafdeling 5.3.5.1. punt a.). Deur en achterwand zijn dus geen uitrustingsvariant.
Waar ligt de grens tussen materiaalkosten en arbeidskosten?
Bij de vraag of de hoeveelheid uit het plan volgt of uit de uitvoering.
Materiaalkosten volgen uit stuks en meters en zijn uit het model af te leiden. Arbeidskosten volgen uit tracés, ondergronden, bereikbaarheid en volgorde — grootheden die op het eendraadschema en het situatieplan helemaal niet staan. Hetzelfde stopcontact kost hetzelfde materiaal, of het nu in een holle wand of in beton komt; de inspanning verschilt een veelvoud.
Praktisch voor de calculatie:
- Een materiaallijst is geen halve offertesom. Ze is de helft die je kunt controleren.
- Posten die beide raken — sleuven, doorboringen, kernboringen, stelling — horen uitdrukkelijk bij de arbeidszijde, anders komen ze nergens voor.
- De plaatsingswijze beslist over beide zijden tegelijk: ze bepaalt welk begeleidend materiaal nodig is en hoe arbeidsintensief de uitvoering wordt.
Cijfers over beide zijden staan in Wat kost een elektriciteitsplan? en Kostenvergelijking: zelf tekenen of elektricien. Dit artikel herhaalt ze bewust niet: prijzen verouderen, de herleiding niet.
Welke calculatiefouten maken de lijst onbruikbaar?
- Geteld per ruimte in plaats van per stroombaan. De achtregels voor contactdozen per kring en eindstroombanen per differentieel (5.3.5.2. punt b., 4.2.4.3. punt b.) brengen posten voort die in geen enkele ruimtelijst voorkomen.
- Hemelsbrede afstand in plaats van kabeltracé. Binnenshuis ligt de rechte lijn stelselmatig ver onder het werkelijke tracé — het is geen schatting maar een ondergrens.
- Nettolengtes zonder marge gebruikt. De marge bestaat om de vier hierboven genoemde redenen, niet uit voorzichtigheid.
- Aardingsmateriaal vergeten, omdat het in het schema één symbool is en in de planning een ruwbouwthema.
- Inbouwdozen en aftakdozen als toebehoren behandeld, terwijl ze verplichte schema-inhoud zijn (3.1.2.2. punt a.) en in metselwerk dwingend (5.3.5.2. punt a.).
- Afdekramen en afdekkingen niet apart gevoerd. Een drievoudige combinatie is één raam en drie sokkels, niet drie complete toestellen.
- Een stroombaan zonder getekende kabel valt geruisloos weg en maakt de totale lengte te klein, zonder dat er een regel ontbreekt.
- Prijzen uit een oude stand overgenomen, zonder datum en bron te vermelden. Een hoeveelheid zonder prijs is onvolledig; een prijs zonder datum is fout.
Hoe ontstaat de materiaallijst in PlanElec — en wat zegt ze niet?
Via het tabblad Export. Daar staat de Materiaallijst als apart document; de knop Materiaaloverzicht openen toont ze in detail, de pdf komt uit dezelfde afleiding.
Wat het overzicht bevat:
- Posten in zeven categorieën: Verbruikers, Materieel en sokkels, Afdekkingen en ramen, Installatiemateriaal, Beveiligingstoestellen, Kabel, Verdeling.
- Twee weergaven: Per categorie en Per ruimte; posten zonder ruimtetoewijzing verschijnen apart, zodat ze niet stilzwijgend verdwijnen.
- Een kopregel met het aantal verbruikers, posten, stuks en de kabellengte.
Sinds de update van 16 juli 2026 splitst het overzicht contactdozen, schakelaars en geselecteerde aansluitingen op in merkonafhankelijke onderdelen — sokkels, afdekkingen, ramen en installatiedozen. Vast aangesloten toestellen bevatten aansluitdoos, klem en trekontlasting; toestelspecifiek toebehoren niet. Verdeelkasten en kamrails volgen het gemodelleerde aantal rijen en modules.
Zes basisaannames worden in het overzicht uitdrukkelijk getoond in plaats van op de achtergrond te werken. De belangrijkste voor de calculatie: kabellengtes zijn nettolengtes uit het model; snijverlies en installatiereserves zijn niet ingerekend. De marge uit de vorige paragraaf zit er dus nog niet in. Even uitdrukkelijk: de inbouwdoos volgt een eenduidig gekoppelde muur; anders wordt in ruimten met een holle wand holle wand aangenomen, en anders inbouw in metselwerk.
Wat de lijst bewust niet doet:
- Ze noemt geen prijzen en is geen bestelvrijgave. Alle posten zijn merkonafhankelijk en moeten vóór bestelling naar concrete artikelen vertaald en vakkundig nagekeken worden.
- Ze verzint geen ontbrekende hoeveelheden. Een stroombaan zonder kabeltracé verschijnt met 0 m en de vermelding „Routing ontbreekt", in plaats van geschat te worden. Een verdacht krappe lijst heeft meestal net die regels.
- Ze vult geen aardingsmateriaal aan dat niet in het model staat. Aardingslus, aardgeleider en equipotentiale verbindingen zijn modelinhoud, geen automatische toevoeging.
- Bij PV-installaties worden openstaande DC-materiaalgegevens als opmerkingen getoond — ontbrekende strings, moduletypes, tracélengtes — in plaats van ze te overbruggen.
Wat de AREI-zelfcontrole hierover niet doet
De zelfcontrole beoordeelt de geplande installatie, niet de volledigheid van een materiaallijst. Concreet:
- Ze controleert geen hoeveelheden. Er is geen regel die meldt dat een post ontbreekt, te krap bemeten of dubbel gevoerd is.
- Voor aarding controleert ze enkel of hoofdequipotentiale verbinding en aardelektrode gedocumenteerd zijn en of het stelsel daarbij past — niet welke doorsnede de geplaatste geleider heeft of hoeveel meter aardingslus nodig was.
- Ze controleert geen prijzen, geen beschikbaarheid en geen artikeltoewijzing. Merkonafhankelijke posten blijven merkonafhankelijk.
- Ze berekent de spanningsval enkel bij een volledig pad; ontbreekt een deellengte, dan meldt ze een gegevenslacune in plaats van een resultaat. Voor de materiaallijst betekent dat: de kabelhoeveelheid kan onvolledig zijn zonder dat een regel aanslaat.
- Ze vervangt noch meting noch keuring. De officiële beoordeling gebeurt uitsluitend door een erkend organisme.
Verder lezen
- Kabeltracés en kabellengtes bepalen
- Plaatsingswijzen volgens het AREI
- Verdeelkast plannen: opbouw en dimensionering
- Welke toestellen een eigen stroomkring nodig hebben
- Wat kost een elektriciteitsplan?
- Kostenvergelijking: zelf tekenen of elektricien
PlanElec openen en materiaallijst afleiden →
Reglementaire basis: AREI/RGIE Boek 1 V06 — onderafdelingen 3.1.2.1., 3.1.2.2., 3.1.2.3., 3.1.3.1., 4.2.4.3., 5.2.1.2. met tabel 5.1., 5.2.6.1., 5.2.6.2., 5.2.9.3., 5.2.9.5., 5.3.5.1., 5.3.5.2., 5.3.5.3., 5.4.2.1., 5.4.2.2., 5.4.3.5., 5.4.4.1. en 5.4.4.2. Doorslaggevend blijven de officiële tekst, de werkelijke toestand van de installatie en de controle door het erkend organisme.